Blog
Rotterdam Markthal

Icoongebouwen als marketingtruc

Door David ter Avest

11 sep 2017 - Vorige week stelde hoofdredacteur Harm Tilman dat de roep om nieuwe iconen groter wordt – dit na aanleiding van een artikel van Winy Maas in Het Parool. Volgens mij is het vooral en alleen Winy Maas zelf die roept dat men iconen, beeldbepalende gebouwen wil. En dit is enkel een aloude marketingtruc: schaarste creëren.

Zoals Tilman schrijft is er een tijd geweest dat iedere regio op zoek naar identiteit een starchitect probeerde te strikken. Paradoxaal genoeg heeft deze wereldwijde trend eerder tot een homogenisering geleid – ieder zelfrespecterende stad of regio die het nodig vond zichzelf ‘op de kaart te zetten’ heeft wel een Hadid, Foster, Liesbeskind, Calatrava of tenminste een visueel opvallend gebouw binnengehaald als ruimtelijke visitekaartje. Fraaie objecten die stijgende bezoekersaantallen op gang moeten brengen.

Wouter Jan Verheul laat in zijn proefschrift overtuigend zien dat deze gebouwenwedloop ook in de Nederlandse context heeft geleid tot bestuurlijke prestigedrang met niet zelden teleurstellende uitkomsten. De beeldbepalende projectambities blijken geen garantie voor succes laat Verheul zien, zoals bijvoorbeeld bij de Blob in Eindhoven.

The blob Eindhoven

The Blob - Eindhoven

In de blog van Tilman wordt gesproken over ‘icoongebouwen’. Ik plaats dit woord bewust tussen aanhalingstekens want een eenduidig gedefinieerd begrip is het hopelijk nog niet. Je bouwt immers geen iconen, je bouwt gebouwen in de hoop dat deze een zekere (symbolische) betekenis krijgt voor mensen. En soms worden ze iconisch zonder dat dit de intentie was – de Eiffeltoren was oorspronkelijk als tijdelijk bouwwerk bedoeld, Pisa zou lang niet zo bekend zijn als die toren niet scheef zou staan, zonder geldproblemen was de Torre David een zoveelste kantoorpand in Caracas en zonder de recente ramp was de Grenfell Tower een vrij anonieme woonflat in Londen.

Torre de David

Torre de David - Caracas

Betekenisgeving is een louter sociaal construct, al proberen ontwerpers als Maas steeds actiever een Bilbao-effect te forceren en uit te lokken. Ontwerpers die expliciet wensen dat hun gebouw een ‘icoonstatus’ bereikt schuwen slimme framingtechnieken hierbij niet. Met nieuwe verhalen vol associatieve elementen – vergezeld met strakke renders, veelbelovende artists impressions en Engelse krachttermen – wordt betekenis gegeven aan plannen en projecten in de hoop dat deze door de doelgroep op een bepaalde manier wordt geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld door wethouders of investeerders. Onder andere Willem Salet en Sebastian Dembski hebben uitgebreid onderzoek gedaan naar deze mechanismen bij ruimtelijke projecten.

De architect is naast producent van architectuur, ook producent van frames geworden. Winy Maas voorop. Vooral een stad als Rotterdam is een walhalla voor ontwerpers met mooie verhalen, ik schreef hier al eerder over. De stad blijkt enorm ontvankelijk voor opvallende bouwwerken wat volgens Wainwright heeft geleid tot een ongemakkelijke “catalogue of architects, bold dreams and attempts”. De gemeente helpt een handje extra door belastinggeld in te zetten, zoals bij De Rotterdam en de Markthal het geval was.

Wel onderstreep ik Winy Maas’ overtuiging dat ruimtelijke ingrepen bepaalde ‘extra’ waarden kunnen toevoegen aan een gebied of stad. Al in 2007 liet MVRDV dit zien in het boekje ‘Polderstad of metropool?’ – een beeldend pleidooi om vooral verder te kijken dan (M)KBA’s. Niet alleen gebouwen, maar ook wegen (Oersund, Millaubrug), hele centra (Amsterdamse binnenstad) en regio’s (Emscherpark) passeren de revue. Maar let op: de toegevoegde waarde is dus niet alleen weggelegd voor een gebouw.

Ook laat Maas niet veel later zien (2008-2009) dat Sarkozy’s gehoopte nalatenschap niet één groots gebouw hoeft te zijn zoals zijn voorgangers wel deden – Mitterrand bij uitstek. In zijn plannen voor Grand Paris stelde hij juist voor om nieuwe bebouwing te verdelen over de stad. Tegenwoordig richt Maas zijn pijlen op het realiseren van één enkel gebouw. Als object. Een interview in de lokale krant inclusief een gelikte artist impression vormen de start van zijn queeste tot iemand met een groot zak geld toehapt. Maar welke sociaal-maatschappelijke problemen een groot gebouw zal oplossen, dat mag Joost weten. Of Winy.

Auteur:

David ter Avest
David ter Avest

Stadsgeograaf en als onderzoeker en docent werkzaam bij het lectoraat Dynamiek van de Stad

Recente artikelen