Jeroen de Willigen vertelt over de Grunobuurt door Tess Broekmans (bron: Tess Broekmans)

In gesprek met Jeroen de Willigen: lessen uit de herontwikkeling van de Grunobuurt in Groningen

21 oktober 2026

5 minuten

Verslag Wat vraagt het om een bestaande woonbuurt te vernieuwen en tegelijkertijd de kwaliteit ervan te behouden? Jeroen de Willigen, stadsbouwmeester van Antwerpen en partner bij de Zwarte Hond, deelde tijdens een bijeenkomst aan de TU Delft de lessen uit ruim twintig jaar gebiedsontwikkeling in de Groningse Grunobuurt. “Stel een psycholoog aan voor het projectteam.”

Toen De Willigen in 2004 bij de Grunobuurt betrokken raakte, was het zijn eerste grote ervaring met de herstructurering van een bestaande woonbuurt. De wijk was in de jaren twintig gebouwd voor spoorwegarbeiders van de Nederlandse Spoorwegen (NS) en had een sobere, aan de Amsterdamse School verwante architectuur. Drie lagen hoge woningen, portieken en een herkenbaar stratenpatroon gaven de buurt een eigen karakter. Bewoners woonden er met plezier. Tegelijkertijd waren de woningen bouwtechnisch aan het einde van hun levensduur. De gevels waren in slechte staat, de woningen waren door het enkele glas slecht geïsoleerd en de houten vloeren zorgden voor geluidsoverlast. De woningcorporatie Gruno, die later fuseerde met Nijestee, stond voor een lastige keuze: hoe vervang je woningen die niet meer voldoen, zonder te verliezen wat de buurt aantrekkelijk maakt?

Samenhang ondanks veranderingen

Tijdens een Urbanism Dialogue aan de TU Delft gaf De Willigen antwoord op deze vraag. De bewoners wilden namelijk in eerste instantei het liefst precies dezelfde buurt terug. Maar dat bleek niet haalbaar: de oude woninggroottes voldeden niet meer aan de eisen die in 2004 aan woningen werden gesteld. De nieuwe woningen moesten groter worden. Bij gelijkblijvende bouwhoogte konden daardoor veel minder woningen worden teruggebouwd, waardoor een deel van de bewoners niet zou kunnen terugkeren. Het stedenbouwkundige plan moest dus ruimte bieden aan meer woningen, zonder het vooroorlogse karakter van de buurt te verliezen. Daarvoor was een gemiddelde bouwhoogte van vijf lagen nodig in plaats van de oorspronkelijke drie lagen. Door verschillende stedenbouwkundige modellen naast elkaar te leggen, werd zichtbaar wat de gevolgen van de verschillende keuzes waren. Zo konden bewoners stap voor stap beter begrijpen welke afwegingen nodig waren en inhoudelijker over het ontwerp meepraten.

In een intensief proces van ongeveer een jaar groeide het draagvlak voor een model met compacte, gesloten bouwblokken van drie tot zeven lagen, verbonden door een centrale groene as. Door de blokken compact te houden en in hoogte te laten variëren, ontstond volgens de Willigen een betere balans tussen woningdichtheid, licht, lucht en openbare ruimte. De minimale hoogte van drie lagen zorgde ervoor dat de oorspronkelijke schaal van de buurt herkenbaar bleef. De hoogteverschillen boden bovendien ruimte voor verschillende woningtypen, zoals maisonnettes, penthouses en beneden-bovenwoningen.

Wat is het beste advies voor wie aan een complexe gebiedsontwikkeling begint? Stel een psycholoog aan voor het projectteam

Verschillende architecten ontwierpen de eerste bouwblokken. Om te voorkomen dat de wijk een verzameling losse gebouwen zou worden, bood het beeldkwaliteitsplan duidelijk kaders voor de relatie tussen de blokken, zowel esthetisch als programmatisch. Daarnaast bewaakte De Zwarte Hond als supervisor de samenhang tussen de ontwerpen. Later nam De Willigen deze rol over als stadsbouwmeester van Groningen. Een voorbeeld was de gezamenlijke keuze voor baksteen, bedoeld om de verschillende blokken visueel met elkaar te verbinden. Ook de aardbevingsproblematiek stelde nieuwe eisen aan de bouwmethoden en gevels. Het beeldkwaliteitsplan en de supervisie boden houvast om ondanks deze veranderingen de samenhang in de wijk te behouden.

Psycholoog

De Grunobuurt ontwikkelde zich veel langzamer dan De Willigen aanvankelijk had verwacht. Pas in 2008 begon de bouw van de eerste bouwblokken. De ontwikkeling liep uiteindelijk door tot in de jaren twintig. Juist die lange looptijd leverde belangrijke nieuwe kansen en lessen op. Toen in 2015 een nieuwe directeur projectontwikkeling van woningcorporatie Nijestee aantrad, werd besloten de samenwerking anders te organiseren. De gekozen aanpak bouwde voort op ervaringen met een vergelijkbare samenwerkingsvorm bij Overhoeks in Amsterdam. Ook het vertrouwen in De Zwarte Hond speelde mee: Nijestee was zo tevreden over de samenwerking dat het bureau ook bij de volgende bouwblokken betrokken bleef.

In plaats van ieder bouwblok als een afzonderlijke opgave te behandelen, werd ingezet op een vast team met mensen van Nijestee, De Zwarte Hond en aannemer Trebbe. Architecten, stedenbouwkundigen, bouwtechnici en medewerkers van de opdrachtgever moesten samen leren hoe volgende blokken beter, sneller en goedkoper konden worden. Daarom volgde het team een gezamenlijk traject om de samenwerking te verbeteren, onder begeleiding van een psycholoog. Zo ontstond een team dat niet bij ieder bouwblok opnieuw hoefde te beginnen, maar voort kon bouwen op eerdere ervaringen.

Advies met een knipoog

De resultaten van deze aanpak werden zichtbaar in de praktijk. Het team ontdekte ruimte om een parkeerhub in een bouwblok te integreren, waardoor er meer mogelijkheden kwamen voor collectieve tuinen op volle grond. Ook kon door deze aanpak wat in het ene bouwblok werd geleerd, in een volgend blok worden getest en verder ontwikkeld. Volgens De Willigen kunnen deze ervaringen meegenomen worden in andere gebiedsontwikkeling. We moeten minder projectmatig werken en meer denken vanuit grotere gebieden van circa 800 tot 1.000 woningen. Op die schaal kunnen partijen langer samenwerken en ervaringen van het ene bouwblok meenemen naar het volgende. Zo ontstaat ruimte om kennis op te bouwen, oplossingen te verbeteren en ook te investeren in innovatie en opleiding.

Jeroen de Willigen tijdens de Urbanism Dialogue aan de TU Delft door Tess Broekmans (bron: Tess Broekmans)

‘Jeroen de Willigen tijdens de Urbanism Dialogue aan de TU Delft’ (bron: Tess Broekmans)


Ook de manier waarop bouwblokken worden ontwikkeld, speelt een rol. De Willigen is kritisch op het concept van pandje-pandje, waarbij ieder pandje als een afzonderlijke opgave wordt ontworpen. Het is volgens hem nep en onnodig duur. Hij ziet een vergelijkbare neiging bij organische gebiedsontwikkeling: hoewel die werkwijze de ruimte zou moeten bieden aan maatwerk, leidt de aanpak volgens hem op veel plekken juist tot vergelijkbare resultaten. Bovendien wordt bij ieder project het wiel opnieuw uitgevonden, in plaats van voort te bouwen op bestaande kennis.

Daarbij is ook de rolverdeling van belang. Als de ontwikkelaar tegelijk de bouwer is, vervaagt volgens De Willigen de driehoek tussen opdrachtgever, architect en bouwer. Juist doordat deze partijen vanuit hun eigen rol naar een opgave kijken, kunnen ze elkaar bevragen en uitdagen. Die onderlinge tegenspraak helpt om plannen en oplossingen te verbeteren. En wat is volgens De Willigen dan het beste advies voor wie aan een complexe gebiedsontwikkeling begint? Stel een psycholoog aan voor het projectteam. Dat kan het proces zomaar versnellen. Een advies met een knipoog, dat tegelijktijdig iets zegt over het belang van goede samenwerking.


Cover: ‘Jeroen de Willigen vertelt over de Grunobuurt’ (bron: Tess Broekmans)


Rebecca Smink door Rebecca Smink (bron: LinkedIn)

Door Rebecca Smink

Onderzoeker bij Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling


Meest recent

Jeroen de Willigen vertelt over de Grunobuurt door Tess Broekmans (bron: Tess Broekmans)

In gesprek met Jeroen de Willigen: lessen uit de herontwikkeling van de Grunobuurt in Groningen

Hoe vernieuw je een bestaande woonbuurt en behoud je tegelijkertijd de kwaliteit? Jeroen de Willigen, stadsbouwmeester van Antwerpen en partner bij de Zwarte Hond, deelt de lessen uit twintig jaar gebiedsontwikkeling in de Groningse Grunobuurt.

Verslag

21 oktober 2026

Bouw van moderne gezinswoningen in Zutphen door Martin Bergsma (bron: Shutterstock)

Hoe we de schoonheid in de gebiedsontwikkeling verloren en terugvonden

Flip ten Cate stopte in 2023 na 21 jaar als directeur van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit. In het recent verschenen boek Mooiwaarts bundelt hij succesvolle en frustrerende pogingen om in Nederland ruimtelijke kwaliteit te realiseren.

Analyse

20 oktober 2026

Hans-Hugo Smit Column Cover door Esther Dijkstra (bron: Illustratie Esther Dijkstra, bewerkte foto Matthijs van Roon)

De gouden berg die overwaarde heet

Columnist Hans-Hugo Smit wil afrekenen met een misleidend frame dat hij ziet ontstaan in het vakgebied. In plaats van nieuwe gouden bergen te beloven op de woningmarkt, pleit hij voor het eerlijker verdelen van de reeds bestaande gouden berg.

Opinie

19 oktober 2026

Uw gastbijdrage op GO.nu: Over gastbijdragen

Uw gastbijdrage op GO.nu

Wij staan open voor bijdragen uit wetenschap en praktijk. Wij moedigen auteurs aan hun kennis en ervaring te delen.

Over gastbijdragen
Uw project toevoegen: Ga naar de GO-Projectenkaart

Uw project toevoegen

Wilt u graag een gebiedsontwikkeling toevoegen aan de GO-projectenkaart? Vul dan via onderstaande link het formulier in.

Ga naar de GO-Projectenkaart
Uw organisatie bij de SKG: Ga naar de SKG-website

Uw organisatie bij de SKG

Uw organisatie aansluiten op het netwerk van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling? Neem dan contact op.

Ga naar de SKG-website
Uw bijeenkomst in de agenda: Neem contact op

Uw bijeenkomst in de agenda

U kunt uw gebiedsontwikkeling-gerelateerde evenement aankondigen via onze agenda door contact op te nemen met de redactie.

Neem contact op