Maximale waterdiepte Limburg bui 175 mm door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (bron: Hydrologic i.s.m. Joost Heijkers (HDSR))

Limburgse waterbom kan overal vallen, nieuw grondbeleid noodzakelijk

17 november 2022

12 minuten

Analyse Het kan overal gebeuren: een catastrofale regenbui zoals in Limburg waarbij forse schade ontstaat. Maar ook andere wateropgaven vragen om een actie. Het besef groeit dat water en bodem leidend moeten worden in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Dat heeft zeker ook gevolgen voor het grondbeleid. Groen en blauw moeten ook daarin een veel meer prominente rol spelen, betogen Susanne Vermeulen en Dries Schuwer van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

De urgentie van klimaatverandering wordt nog lang niet breed genoeg gevoeld en gedragen in de maatschappij. De gemiddelde Nederlander in het westen van Nederland beseft nauwelijks hoe bijzonder het eigenlijk is dat wij hier, meters onder zeeniveau, met droge voeten kunnen wonen. ‘Dit fixen de waterbeheerders’ is de aanname. Langzaam is dit beeld aan het veranderen doordat klimaatverandering steeds zichtbaarder en tastbaarder wordt.

Schaars water

De recente extreme droogte laat bijvoorbeeld zien dat we erg afhankelijk zijn van externe natuurlijke factoren, waaronder de wateraanvoer van de rivieren vanuit onze buurlanden. We kampen met een toenemend tekort aan zoetwater in de zomermaanden. Al hebben we nog zo’n civieltechnisch geavanceerd watersysteem, we moeten allerlei extra tijdelijke noodmaatregelen nemen. Om zo het schaarse water dat er is te sturen naar en vast te houden op de plaatsen waar dat het hardst nodig is.

Maximale waterdiepte Limburg bui 175 mm door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (bron: Hydrologic i.s.m. Joost Heijkers (HDSR))

Wat gebeurt er in het gebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden wanneer daar een Limburgse 'waterbom' van 175mm valt? Op sommige plekken bedraagt de waterstand ruim 1 meter.

‘Maximale waterdiepte Limburg bui 175 mm’ door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (bron: Hydrologic i.s.m. Joost Heijkers (HDSR))


Niet alleen te weinig water is een toenemend probleem, ook te veel neerslag kan voor grote schade zorgen. Het is een kwestie van tijd voordat de regen die in de zomer van 2021 in Limburg is gevallen, ook in de regio Utrecht valt. Onlangs heeft het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden de hoeveelheid regen die in de zomer van 2021 is gevallen in Limburg, op het gebied van het waterschap geprojecteerd. Uit de analyse komt naar voren dat bij dergelijk extreem weer in het hele werkgebied wateroverlast optreedt.

Bouwlocaties anders aanwijzen

Op sommige plekken bedraagt de waterstand ruim 1 meter. Dat betekent dat gemeenten hierop moeten anticiperen bij het aanwijzen van bouwlocaties. Doen gemeenten dat niet, dan kan het waterschap de afvoer van water in de toekomst niet langer garanderen. Om schade in de toekomst te beperken is het dus van belang om bodem en water sturend te laten zijn, zowel bij locatiekeuzes als bij de ruimtelijke inrichting van een gebied als die locatiekeuze eenmaal is gemaakt. Ook de minister ziet dit in. In zijn ruimtelijke ordeningsbrief van 17 mei 2022 schrijft Hugo de Jonge voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dat water en bodem sturend moeten worden in ruimtelijke planvorming.

De afweging om wel of niet te bouwen in kwetsbare gebieden ligt wat ons betreft dan ook niet op lokaal niveau, maar op nationaal niveau vanuit een langetermijnperspectief en daarmee vanuit langetermijnplanologie

Dit is een zeer actuele vraag waarop het antwoord nog volop in ontwikkeling is. Wat De Stichtse Rijnlanden betreft betekent dit dat we allereerst heel goed moeten nadenken over waar we willen bouwen in Nederland voordat we toekomen aan de vraag hoe we verantwoord kunnen bouwen als de locatiekeuze eenmaal is gemaakt. Daar waar waterschappen tot voor kort een faciliterende houding hadden en volgend waren bij locatiekeuzes voor wonen en werken, is een kentering gaande. Waterschappen kunnen zich deze houding simpelweg niet meer permitteren.

Landschap lezen

Nu de maakbaarheid van ons watersysteem steeds meer onder druk komt te staan, is het verstandig om terug te grijpen naar het verleden toen we ons landschap nog lazen en wel twee keer nadachten voordat we ergens gingen bouwen. Er werd vooral gebouwd op de hoger gelegen stroomruggen, hoog en droog. Door bodem en water opnieuw als basis te gebruiken, kunnen we locaties verantwoord verstedelijken. De vraag is of het nog maatschappelijk verantwoord is om grootschalig traditioneel te verstedelijken in zeer laag gelegen (veen)gebieden, zeker wanneer er ook alternatieve locaties voorhanden zijn. De toekomstige generaties worden namelijk met enorme (beheer)kosten opgezadeld wanneer er allerlei kunstmatige ingrepen nodig zijn om verantwoord te kunnen blijven wonen, werken en recreëren op deze locaties.

Water en groen niet meer zien als kostenpost

Dit pleit ervoor in grondexploitaties ook maatschappelijke kosten, maar zeker ook maatschappelijke baten voor de lange termijn mee te nemen. Water en groen vertegenwoordigen een maatschappelijke waarde die in traditionele grondexploitaties nog niet op die manier wordt gewaardeerd. Sterker nog, water en groen worden vaak gezien als kostenpost. Dat komt omdat deze grond niet uitgeefbaar is en ook nog beheer- en onderhoudskosten met zich meebrengt. We moeten afscheid nemen van deze manier van denken in de gebiedsontwikkeling. De waarde van groen en water is juist ongekend groot in het kader van klimaatadaptatie en niet te vergeten voor de biodiversiteit. Daarnaast geldt voor vastgoedexploitaties dat groen en wonen aan het water meer woon- en leefgenot oplevert en daarmee resulteert in hogere vastgoedwaarden.

De uitdaging is dus om toe te gaan naar een manier om deze toekomstwaarden op een bepaalde manier te vatten in grond- en vastgoedexploitaties, zodat een verantwoorde weging ontstaat voor de toedeling van functies binnen een gebiedsontwikkeling. Daarnaast pleiten wij ervoor een langetermijnperspectief te integreren in grondexploitaties. Woningen gaan bijvoorbeeld wel honderd jaar of langer mee. Dan is het vreemd om een grondexploitatie na oplevering van een gebied af te sluiten alsof het gebied ‘af’ is. Een gebied is nooit af, het zal altijd veranderen. Daar moeten we, voor zover we kunnen en weten, op inspelen.

Vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap bij planvorming is essentieel. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is helaas in de praktijk nog niet altijd het geval

Zo weet bijvoorbeeld iedereen dat de zeespiegel stijgt. We weten nog niet exact hoeveel de zeespiegel zal stijgen, maar dat het staat te gebeuren staat vast. Toch is dit op microniveau in de ruimtelijke ordeningsplanningspraktijk totaal geen issue. Het staat namelijk zo ver van ons voorstellingsvermogen af dat het nog niet doordringt in de ruimtelijke keuzes die we op lokaal niveau maken, veelal voor de korte(re) termijn. Dit verklaart waarom gemeenten volop bouwplannen maken, ook al liggen deze in kwetsbare gebieden. De afweging om wel of niet te bouwen in kwetsbare gebieden ligt wat ons betreft dan ook niet op lokaal niveau, maar op nationaal niveau vanuit een langetermijnperspectief en daarmee vanuit langetermijnplanologie.

Regietaak voor Rijk

We spreken hier over grote nationale belangen die lokale, maar ook regionale belangen, overstijgen. Hier ligt een regietaak voor het rijk om invulling te geven aan het nieuwe adagium ‘water, bodem sturend’. Uiteraard denken de waterschappen hier graag in mee samen met de provincies, die komend jaar aan de lat staan om op provinciaal niveau de ruimtelijke ‘puzzel’ te gaan leggen voor de grote verbouwing van Nederland op tal van ruimtelijke thema’s en transities.

Cruciale rol voor banken

Naast de aangekondigde overheidsregie op het gebied van klimaatadaptief verstedelijken, zien we tegelijkertijd een beweging ontstaan vanuit de financiële sector.

Zo voeren banken klimaatstresstesten uit en willen ze kredieten duurder maken, zowel voor particulieren als het bedrijfsleven, op locaties die risicovoller zijn vanuit klimaatverandering. Banken maar ook verzekeraars, projectontwikkelaars, investeerders en andere financiële spelers hebben een cruciale rol in het nemen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid als het gaat om klimaatverandering.

Zo staan we aan de vooravond van een regulerend mechanisme vanuit zowel de overheid als de markt waarbij klimaatbestendige verstedelijkingskeuzes voor de lange termijn geleidelijk aan gemeengoed worden.

Nee, tenzij innovatief

De oproep van De Stichtse Rijnlanden is om niet te bouwen in laaggelegen (veen)gebieden, tenzij dat klimaat- en bodemdalingsbestendig gebeurt. Zo niet, dan kan het waterschap op termijn de waterafvoer niet langer garanderen en financieren. Als waterschap stimuleren wij innovatief onderzoek naar nieuwe flexibele woonvormen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan drijvend bouwen vanwege het adaptieve vermogen en het tijdelijke karakter. Op deze manier kunnen locaties die minder geschikt zijn voor traditionele grondgebonden bouw toch worden benut. Water vormt een bedreiging, en tegelijk biedt water juist kansen om op een toekomstbestendige manier te benutten voor onze woonopgave, zij het op een duurzame en klimaatadaptieve manier.

Drijvende stedenbouw

Recentelijk is, op initiatief van PosadMaxwan, een ontwerpend onderzoek gestart naar ‘Drijvende Steden’ in het kader van de Open Oproep ‘Anders werken aan wonen’ vanuit het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie. Het biedt een kans om het idee van duurzame, drijvende stedenbouw op grotere schaal nader te onderzoeken. In het onderzoek wordt de expertise, ervaring én creativiteit bijeengebracht van diverse betrokken publieke en private partijen in een inspiratie- en ontwerphandboek.

De stedenbouwkundige kennis van PosadMaxwan wordt uitgebreid met de kennis en ervaring van ecologen, economische adviseurs en experts op het gebied van drijvend bouwen. Samen met de gemeente Utrecht participeert het waterschap in dit onderzoek door de inpassing van een drijvende stad in de polder Rijnenburg te onderzoeken. Daarnaast worden de kansen voor de drijvende stad in de Merwe-Vierhavens onderzocht in samenwerking met de gemeente Rotterdam.

Lagere kosten beheer en onderhoud

Uit het onderzoek ‘Veenetië’, dat De Stichtse Rijnlanden in 2021 uitvoerde samen met de gemeente Woerden en de provincie Utrecht, blijkt dat drijvend bouwen hogere investeringskosten vraagt aan de start dan bouwen op land. Daarentegen zijn in het veengebied bij traditionele bouw de kosten voor beheer en onderhoud van de openbare ruimte hoog door de dalende bodem; gebouwen, wegen, leidingen. Op termijn leidt dit tot veel schade. Bij drijvende woningen zijn op de langere termijn de kosten voor beheer en onderhoud veel lager. De uitkomsten van deze studie onderstrepen het belang van vroegtijdig meepraten en -denken. In een gezamenlijke aanpak zijn er mogelijkheden om goede afspraken te maken tussen de partijen over de verdeling van de financiering, waaronder de verrekening van de startinvestering met toekomstige besparingen.

Vogelvluchtimpressie drijvende woonwijk ‘Veenetië’ door Zeinstra Veerbeek Architecten (bron: Zeinstra Veerbeek Architecten)

Drijvend bouwen vergt hogere aanvangsinvesteringen maar de kosten voor gebiedsbeheer en -onderhoud zijn duidelijk lager.

‘Vogelvluchtimpressie drijvende woonwijk ‘Veenetië’’ door Zeinstra Veerbeek Architecten (bron: Zeinstra Veerbeek Architecten)


De operationalisering van het principe bodem en water vindt plaats in het programma Water en bodem sturend. Dit programma formuleert de randvoorwaarden en structurerende keuzes die nodig zijn om de draagkracht van water- en bodemsystemen structureel ruimtelijk te borgen. Het programma richt zich op de thema’s verziltende kust en polders, laagveengebieden, hoge zandgronden, klimaat- en waterrobuust verstedelijken, ruimte voor het watersysteem en de bescherming van de bodem en ondergrond (RO-brief, mei 2022).

Afspraken klimaatbestendig bouwen

Het is positief om te zien dat er met betrekking tot klimaatbestendig bouwen de afgelopen jaren al concrete afspraken zijn gemaakt. Deze afspraken gaan in op de manier hoe we verantwoord bouwen, wanneer de locatiekeuze voor een gebiedsontwikkeling al is gemaakt. Eén van de voorlopers van het opstellen van concrete afspraken over klimaatbestendig bouwen is de provincie Zuid-Holland. De provincie heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit.

Vervolgens zijn er concrete prestatie-eisen opgesteld voor deze klimaatthema’s. Als voorbeeld is als prestatie-eis opgenomen dat: een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt opgevangen en vertraagd afgevoerd.

Inmiddels zijn er op initiatief van de provincie Utrecht ook afspraken gemaakt over klimaatbestendig bouwen. Beide convenanten vormen input voor de nationale klimaatadaptatie meetlat die momenteel door het Rijk wordt opgesteld. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en manier van bouwen.

Van watertoetsproces naar Weging van het waterbelang

Sinds 2003 bestaat het watertoetsproces dat is bedoeld om waterschappen vroegtijdig te betrekken. Dus geen toets achteraf zoals de naam wellicht suggereert, maar juist bedoeld als proces om de initiatiefnemer en het waterschap zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek te brengen. Onder de Omgevingswet wordt de term watertoetsproces vervangen door de ‘Weging van het waterbelang’.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan (nu nog het bestemmingsplan) moeten gemeenten de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit is opgenomen in de instructieregels in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor een aantal specifieke rijksbelangen worden aanvullende instructieregels gesteld. Dit geldt onder andere voor de bescherming van primaire waterkeringen.

Waterschap meer betrokken bij omgevingsvisies

De verplichting voor het afwegen van waterbelangen geldt over het algemeen ook voor een omgevingsverordening, een projectbesluit en een omgevingsvergunning. Opvallend is dat er geen specifieke regel is opgenomen voor het vaststellen van omgevingsvisies. Het Rijk gaat ervan uit dat dit in het kader van de één overheidsgedachte vanzelfsprekend is. Gelukkig zien we in de praktijk dat gemeenten het waterschap over het algemeen intensief betrekken bij het opstellen van omgevingsvisies.

Als waterschap bereiden we ons actief voor op de introductie van het instrument Weging van het waterbelang. Dat doen we onder andere door het opstellen van een nieuw inspirerend handboek dat initiatiefnemers kunnen gebruiken bij het maken van ruimtelijke plannen.

Vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap bij planvorming is essentieel. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is helaas in de praktijk nog niet altijd het geval. Hieronder laten we zien dat het meerwaarde oplevert als het waterschap vroegtijdig aan tafel zit, zoals in Leidsche Rijn en in de toekomstige wijk Merwede in de gemeente Utrecht.

Merwedekanaal door BURA & OKRA (bron: BURA & OKRA)

‘Merwedekanaal’ door BURA & OKRA (bron: BURA & OKRA)


Vroegtijdige betrokkenheid bij ontwikkeling wijk Merwede

In de wijk Merwede, gelegen tussen het Merwedekanaal en park Transwijk, bouwt de gemeente Utrecht de grootste binnenstedelijke en autovrije wijk van Nederland. In totaal komen er 6.000 nieuwe woningen voor circa 12.000 inwoners.

Klimaatbestendig bouwen

Bij de ontwikkeling van de wijk Merwede is het waterschap al vroeg in het proces betrokken geweest bij het opstellen van de omgevingsvisie. Hierbij heeft het waterschap meegedacht met de gemeente om tot een klimaatadaptief plan te komen. Er is onder andere rekening gehouden met het beperken van wateroverlast en hittestress.

Als concrete eis is onder andere geformuleerd dat de bouwblokken zo moeten worden ingericht, dat een extreme regenbui van eens in de honderd jaar geen schade veroorzaakt aan de gebouwen door instromend regenwater. Hieraan wordt voldaan als een bui van tachtig millimeter in één uur verwerkt kan worden en dat het regenwater weg kan stromen naar een calamiteitenberging of naar het oppervlaktewater zonder dat er schade optreedt in gebouwen.

Ook is in de plannen een nieuwe diagonale watergang opgenomen die het Merwedekanaal in de toekomst, via een nieuwe eco-duiker onder de Europalaan, moet gaan verbinden met Park Transwijk.

Thermische energie uit oppervlaktewater

Langs het Merwedekanaal vinden meerdere initiatieven plaats voor thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). In de zomer kan warm oppervlaktewater uit het Merwedekanaal, via warmtewisselaars, het grondwater in een warmte- en koudeopslaginstallatie opwarmen. Deze warmte wordt in het koude seizoen middels warmtepompen gebruikt om gebouwen te verwarmen. Het koude water wordt vervolgens weer geloosd in het Merwedekanaal.

Wanneer het verschil tussen de te lozen watertemperatuur en de achtergrondtemperatuur van het Merwedekanaal te groot is, dan kan dit negatieve consequenties hebben op de ecologie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de effecten op vismigratie. Aan de andere kant koelt het oppervlaktewater door de koudelozing in de zomer af. Dat kan bijdragen aan het beperken van hittestress in het stedelijk gebied. Dat laatste heeft mogelijk ook positieve consequenties voor de waterkwaliteit.

De gemeente, Rijkswaterstaat Midden-Nederland en het waterschap werken sinds een aantal jaren actief samen om de mogelijkheden voor TEO te onderzoeken en de projecten de komende jaren ook te monitoren. Samen met Deltares stellen de partijen op dit moment een monitoringsplan op. De monitoring moet de komende jaren meer inzicht geven in de effecten van de koudelozingen op de ecologie.

Uitvoering watersysteem in Leidsche Rijn

In de jaren ’90 is gestart met de aanleg van Leidsche Rijn; de grootste Vinex-locatie van Nederland. De woonwijk is vernoemd naar de Leidsche Rijn die door het gebied stroomt. Anno 2022 telt de wijk circa 45.000 inwoners.

Voor de ontwikkeling van Leidsche Rijn is door stedenbouwkundige Riek Bakker een Masterplan opgesteld. Daarin waren de principes van het watersysteem al opgenomen. Hierin was onder meer de ambitie opgenomen om zo veel mogelijk verhard oppervlak rechtsreeks af te koppelen naar wadi’s en open water, zodat alleen een vuilwater-rioolstelsel nodig was. Dit principe wordt tegenwoordig bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen als uitgangspunt gehanteerd.

Als vervolgstap werd door een aantal adviesbureaus een waterhuishoudkundig plan ‘Nieuwe Stad Schoon Water’ opgesteld. Op een aantal wateraspecten zijn deelplannen ontwikkeld, zoals voor het watersysteem en de waterkwaliteit. Belangrijk is dat deze deelplannen werden bekostigd door de partijen: gemeenten Vleuten-De Meern (later door Utrecht geannexeerd) en Utrecht, de provincie Utrecht en het waterschap.

Financieel gezien heeft het waterschap volop geïnvesteerd in menskracht; zowel bij de planvorming als bij de uitvoering van de deelprojecten. Twee waterschapsmedewerkers hebben jarenlang in de uitvoeringskeet van de gemeente gewerkt en hebben daardoor invloed op de opgestelde deelplannen en de uitvoering gehad. Jan Smorenburg was destijds hierbij betrokken: ‘Bijzonder in deze samenwerking was dat het waterschap de grote kunstwerken voor het watersysteem (bijvoorbeeld gemalen en stuwen) engineerde voor de gemeente. Dat was een win-winsituatie, want zo konden we ervoor zorgen dat aan alle uitgangspunten van het waterschap werd voldaan. Bovendien werd het waterschap voor de engineering betaald. Daar stond tegenover dat de gemeente dat niet hoefde te organiseren met een eigen ingenieursbureau, met alle afstemmingsproblemen van dien’.

Een belangrijk uitgangspunt in het ontwerp van Leidsche Rijn is de aanleg van wadi’s. Dit zijn verdiepte groenstroken die het regenwaterwater afkomstig van de daken en wegen in de bodem infiltreren. Over het algemeen zijn de ervaringen erg positief. Daarnaast is in Leidsche Rijn ook een robuust watersysteem aangelegd. Op diverse plekken zijn grote waterpartijen (tevens zandwinplassen) aangelegd in de lagere delen van het gebied, die zorgen dat maar heel beperkt water hoeft te worden ingelaten of weggepompt. Bovendien geven deze invulling aan natuur- en recreatieve doeleinden. Denk bijvoorbeeld aan zwemwater.

Van adviseren naar samen cocreëren

Als waterschap willen we ‘meer stroomopwaarts’ water- en klimaatbelangen inbrengen. Daarmee bedoelen we dat het samenwerken als één overheid kansen biedt om in een vroeg stadium mee te denken bij ruimtelijke ontwikkelingen en daar de verbinding met wateropgaven te leggen. Dit heeft ook gevolgen voor de instrumenten die we als waterschap inzetten.

Stimuleren versus reguleren

Het waterschap zet bij voorkeur in op vroegtijdige betrokkenheid in projecten. Dat doen we door het ontwikkelen van een nieuw handboek voor ruimtelijke plannen.

Momenteel werkt het waterschap samen met de Utrechtse waterpartners (vier waterschappen, drie drinkwaterbedrijven, Rijkswaterstaat Midden-Nederland en provincie Utrecht) aan een geschiktheidskaart voor woon- en werklocaties. Hiermee geven wij nadere invulling aan het principe ‘water, bodem sturend’ vanuit de fysieke kenmerken van de ondergrond en het watersysteem voor de gehele provincie Utrecht. Zo maken we een ruimtelijke vertaalslag van de ambities van de waterpartners en laten deze concreet landen op kaart. Denk bijvoorbeeld aan ruimtereserveringen voor waterbergingsgebieden.

Deze locaties zijn daardoor minder geschikt als nieuwe verstedelijkingslocatie. Aan de hand van verschillende gradaties van geschiktheid geven we aan welke locaties het meest geschikt zijn als bouwlocatie en welke het minst. Vervolgens geven we per geschiktheidscategorie en per landschapstype ook aan onder welke voorwaarden bebouwing mogelijk is. In bodemdalingsgevoelige gebieden zal dit bijvoorbeeld drijvend kunnen zijn. De geschiktheidskaart vormt hiermee een goede basis voor dialoog in het kader van de ruimtelijke ‘puzzel’ die de provincie Utrecht de komende periode gaat maken.

Overstroming door Hans (bron: Pixabay)

‘Overstroming’ door Hans (bron: Pixabay)


Daarnaast heeft het waterschap ook stimuleringsregelingen beschikbaar gesteld om klimaatadaptieve projecten te stimuleren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het vergroenen van bestaande woonwijken. De waterschappen zijn dus ook bereid om financieel te investeren in projecten die water langer vasthouden.

Aan de andere kant onderzoekt het waterschap ook de juridische mogelijkheden om klimaatadaptatie in regelgeving op te nemen. De waterschapsverordening, die onder de Omgevingswet de huidige Keur gaat vervangen, biedt daarvoor voldoende mogelijkheden.

Waterschappen denken graag mee

Vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap levert zowel in de planvorming als de uitvoering meerwaarde op. Dat laten de projecten Leidsche Rijn en de wijk Merwede zien. Ten aanzien van klimaatbestendig bouwen liggen er al ambitieuze (provinciale) kaders die samen met het waterschap zijn opgesteld en input vormen voor de nationale klimaatadaptatie meetlat. Daarnaast zet het waterschap in op innovatief onderzoek naar nieuwe woonvormen, zoals recentelijk naar drijvende steden. Ook bij het verder concretiseren van het principe water en bodem sturend denkt het waterschap graag mee met het Rijk, provincies en gemeenten. Met als doel om tot een klimaatbestendige inrichting van Nederland te komen. Ten slotte pleiten wij voor langetermijnplanologie waarbij maatschappelijke waarden worden meegewogen en waarbij de regie op het juiste bestuurlijke niveau ligt. Ook doen wij een oproep aan de markt om verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van klimaatverandering. Zo maken we nu al de juiste ruimtelijke keuzes voor de lange termijn (2100 en verder) en daarmee ook voor toekomstige generaties.


Dit artikel verscheen eerder in Grondzaken en Gebiedsontwikkeling


Cover: ‘Maximale waterdiepte Limburg bui 175 mm’ door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (bron: Hydrologic i.s.m. Joost Heijkers (HDSR))


Dries Schuwer door Dries Schuwer (bron: LinkedIn)

Door Dries Schuwer

Projectleider implementatie Omgevingswet at Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Susanne Vermeulen door Susanne Vermeulen (bron: LinkedIn)

Door Susanne Vermeulen

Ruimtelijk Strateeg bij Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden


Meest recent

Midden-Delfland als Nationaal Productief National Park. Ontwerp Zus, Flux en Sweco door Zus, Flux en Sweco (bron: TU Delft)

Hoogleraar Chris Zevenbergen wil ruimtelijk ontwerp inzetten voor bestendige delta

Chris Zevenbergen sprak onlangs zijn intreerede uit als hoogleraar Delta Urbanism. In een interview met de TU Delft geeft hij aan dat er verstrekkende besluiten aankomen over de inrichting van de Nederlandse delta. Pappen en nathouden is passé.

Interview

9 december 2022

Het kronkelende riviertje Koningsdiep door Rudmer Zwerver (bron: Shutterstock)

Provincies moeten meer meters maken in creëren van nieuwe natuur

Vóór 2028 moet in Nederland nog meer dan 30.000 hectare extra natuur gecreëerd worden. In dit tempo lijkt dat niet haalbaar. Dat is de uitkomst van de Achtste Voortgangsrapportage Natuur.

Analyse

9 december 2022

Weekoverzicht Cover door Ineke Lammers (bron: gebiedsontwikkeling.nu)

Dit was de week van het zoeken naar nieuwe wegen

Deze week zoeken we op Gebiedsontwikkeling.nu naar nieuwe wegen. Nieuwe wegen om de onzekere tijden in gebiedsontwikkeling door te komen, om ook echt duurzaam te kunnen vergroenen en om de schaarse (woon)ruimte in de stad goed te benutten.

Nieuws

8 december 2022