platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Verslag

Maak samen plaats!

Maak samen plaats!

3 dec 2014 - In de tweede editie van het congres van de provincie Noord-Holland over knooppuntontwikkeling is een nieuwe stap vooruit gezet. Vrijwel alle gemeenten aan de lijn Amsterdam – Heerhugowaard, provincie, NS en ProRail zetten hun handtekening onder een intentie-overeenkomst waarin de samenwerking verder wordt uitgewerkt. Daarbij gaat het over het concentreren van woningen, werk, scholen, winkels en andere voorzieningen rondom stationslocaties, plús de afstemming daarvan langs de lijn, de zogenoemde Zaancorridor.

Dagvoorzitter Felix Rottenberg onderstreepte de urgentie van deze samenwerking. De Noordvleugel van de Randstad, ook wel Metropoolregio Amsterdam genoemd (MRA), krijgt de komende jaren een forse woningbouwopgave te verstouwen. Daarbij worden ramingen tot wel 240.000 woningen genoemd. Willen we de MRA leefbaar en internationaal concurrerend houden, dan moeten uitleggebieden zoals we die gewend zijn van bijvoorbeeld Vinex aan banden worden gelegd. Het landschap blijft daarmee groen en open, en de automobiliteit wordt teruggedrongen. Stationslocaties zijn dan een prima duurzaam alternatief. Door concentratie ontstaat draagvlak voor voorzieningen en een grotere vervoersvraag, waardoor de treinen vaker kunnen gaan rijden. Door voorzieningen te spreiden kunnen treinen zowel in spits- als in tegenspitsrichting worden gevuld. De provincie Noord-Holland ziet het liefst dat de helft van het woningbouwprogramma rondom stationslocaties plaats gaat vinden. Een flinke inzet van alle betrokkenen is daarbij nodig. Rottenberg: ‘We zijn een overvol land en willen meters maken, maar we staan op achterstand.’

Afstemming

De provincie is dan ook de grote aanjager achter de informeel ingestoken samenwerking. Die samenwerking is cruciaal, aldus gedeputeerde Tjeerd Talsma. ‘Met elkaar moeten we plannen maken over ruimtelijke ontwikkeling in Noord-Holland. Hoe gaan we infra koppelen aan woningen, recreatie en voorzieningen? Anders hebben we in 2030 een groot probleem.’ Naast het onderzoek Maak Plaats! over de potenties van de stationslocaties organiseerde de provincie sessies van het serious game Sprintstad, waarin de noodzaak van afstemming door gemeentebestuurders in een simulatiespel werd ervaren. Ook participeerde de provincie in het ontwerpend onderzoek-traject Designing TOD voor de stations aan de Zaancorridor. Gezamenlijk zetten de bestuurders een eerste stap naar een verdere formalisering van de samenwerking. Er zal een uitvoeringsprogramma worden opgesteld waarin proces, planning en gewenste resultaten worden benoemd. De provincie staat daarbij aan de lat voor het vaststellen van de regionale kaders voor ontwikkeling. Visievorming, stimuleren en verbinden staat voor gedeputeerde Tjeerd Talsma centraal. ‘Wij zijn de initiator en de verbinder die met gemeenten, NS en ProRail aan tafel gaat om in overleg plannen te ontwikkelen en vooral: af te stemmen. De uitvoering ligt vervolgens bij de gemeenten.’

Alles uit de kast trekken

Voor die uitvoering moet er nog wel ‘wat water door de Zaan’, aldus wethouder Addy Verschuren van Zaanstad. Het enthousiasme bij bestuurders is groot, maar marktpartijen zijn nog nauwelijks in beeld. Op het congres gingen zes handjes de lucht in bij de vraag van Rottenberg of er ook ontwikkelaars in de zaal zaten. Die zes waren overigens wél positief. Ronald Huikeshoven van AM had een goed voorbeeld uit de gemeente Hilversum. Daar ontwikkelde AM 150 appartementen op 50 meter van de stationsentree. Samen met de gemeente werd een ‘ingroei’-erfpachtconstructie ontwikkeld waardoor de ontwikkeling uit kon en de woningen betaalbaar bleven. Het kan dus wél, is de boodschap van Huikeshoven, die zich als ontwikkelaar focust op binnenstedelijke locaties. ‘Op dit soort locaties moet je alles uit de kast trekken en in nieuwe oplossingen denken, maar het is te doen.’ Rottenberg wees ook op het belang van het betrekken van inwoners, iets waar je niet om heen kunt in deze tijd van burgerinitiatieven. Key note-speaker professor Carey Curtis uit Perth hield voor de aanwezige ambtenaren en bestuurders een inspirerend verhaal over het verkrijgen van draagvlak bij bewoners voor stationsontwikkeling. De intentie-overeenkomst in Noord-Holland vond Curtis een goede eerste stap om mensen bij elkaar te brengen. Ze proefde veel energie bij de betrokkenen. ‘Nu moeten nog de prioriteiten gelijk worden getrokken.’

Burgerparticipatie

Carey wees op het belang van de beeldvorming. ‘Joe Public’ ziet bij stationsontwikkeling direct Hong Kong-achtige toestanden voor zich, aldus Curtis. Nieuwe, positieve beelden die vertellen dat het ook ánders kan, zijn dus nodig. Daarnaast moet worden ingezet op gedragsverandering bij bewoners en ondernemers. ‘Laat zien dat knooppuntontwikkeling leidt tot nieuwe business opportunities.’ Ook belangrijk is het precies bepalen van je doelgroep voor wie wonen bij het station interessant kan zijn, zoals ouderen die in een appartement willen gaan wonen bij voorzieningen in de buurt, een-oudergezinnen en studenten. Bij het promoten van knooppuntontwikkeling (TOD, oftewel Trans Oriented Developement in het Engels) is het gebruik maken van inzichten uit de psychologie en van ambassadeurs effectief. Speel in op voordelen zoals ‘lower living costs’. Ondertussen moet er rekening worden gehouden met een periode van zeker 10 jaar van idee naar bouwen. Al die tijd moet de burgerbetrokkenheid worden vastgehouden. In Perth is met succes een grootschalig participatietraject Dialogue with the City gestart. ‘Betrek communicatie en participatie van het begin af aan bij strategische regionale planning.’ Door samen te werken aan verschillende scenario’s werden de tegenstanders onderdeel van een constructief proces gemaakt . Een van de scenario’s – Connected Network City, een TOD-strategie – werd uiteindelijk met 80% voorkeur gekozen. Zie voor meer lessen uit Perth hier.

Aantrekkelijk

Voor knooppuntontwikkeling is een sterk regionaal planningssysteem noodzakelijk, aldus Carey Curtis, evenals van het begin af aan een rol in dat systeem voor inwoners en bedrijven. Wat burgerparticipatie betreft staan wij nog op achterstand, aldus Felix Rottenberg. Heike Luiten, regiodirecteur NS, repriceerde dat NS als organisatie die nu eenmaal onder het vergrootglas ligt, altijd in intensief gesprek is met belangenorganisaties. Wat nu wél nieuw is volgens Luiten is dat het om de totaliteit van de Zaancorridor gaat. Erik Schuurmans, Manager Public Affairs, meent dat Nederland als gereguleerd land nog niet gewend is aan participatie aan de voorkant. Burgers moeten meer verantwoordelijkheid krijgen én nemen, meent ook Addy Verschuren van Zaanstad. Burgerparticipatie in combinatie met een langetermijnvisie en dito planningshorizon is lastig. Maar partijen zoals NS en ProRail hebben een langetermijnbetrokkenheid in het stationsgebied. Het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) is het lonkend perspectief om meer reizigers in de trein te krijgen, zegt Heike Luiten, maar dan moet de treinbezetting corridorsgewijs worden bekeken. Spreiding van ruimtelijk programma is sine qua non voor het spoorboekloze rijden. De stationsomgevingen moeten volgens Talsma zodanig aantrekkelijk worden dat de keuze voor het openbaar vervoer een logische wordt. Daar ligt volgens Talsma nu de grote opgave. ‘We sturen het containerschip bij.’

De bal inkoppen

De overbevolkingsurgentie is levensgroot, stelt ook Paul Gerretsen van de Vereniging Deltametropool. ‘We hebben vijftien jaar op onze lauweren gerust.’ De ‘stoelendans’ van het afstoten van verantwoordelijkeden van Rijk naar lagere overheden vraagt om een herpositionering. Op het niveau van de Zaancorridor moet men ‘het spel nu leren spelen’: er moet versnelling worden gebracht in de besluitvorming. De Zaancorridor kan uitgroeien tot hét Nederlandse voorbeeld van knooppuntontwikkeling. ‘Het grote voordeel is dat de gemeenten direct mee aan tafel zitten. De provincie heeft de kansen onderzocht. Nu is het zaak om de bal in te koppen.’ Voor de markt geldt dat ze behoefte heeft aan sturing op regie en einddoel, aldus een vertegenwoordiger van lokale bouwondernemer en ontwikkelaar VBM. ‘De markt moet consequent méér worden betrokken bij de beoogde resultaten en eindbeelden.’ De eerder genoemde oproep van Ronald Huikeshoven om creativiteit bij gemeenten wordt beaamt door Addy Verschuren. ‘Ook wij denken na over wat je met erfpachtconstructies voor elkaar kunt krijgen. Het gaat om denken vanuit wat er mogelijk is.’ Peter van Oeveren van Bouwfonds roept bestuurders op om marktpartijen aan de voorkant mee te laten doen. ‘Wij kunnen nauwkeurig marktonderzoek doen om de vraag in kaart te brengen.’

Mijlpaal

‘Het allerlastigste obstakel in de concretisering van knooppuntontwikkeling zijn de concurrerende locaties buiten de stationsomgevingen’, stelt Han ter Heegde, burgemeester van Heerhugowaard. Die zijn immers relatief gemakkelijk en goedkoper te ontwikkelen. Ter Heegde stelt voor dat de gemeenten voor 1 maart hun plannen en fasering voorleggen aan de provincie, zodat afspraken kunnen worden gemaakt over afstemming. Een Zaanoverleg of Zaanautoriteit, oppert Rottenberg, zodat het verdichten en versnellen in beweging kan komen. Ter Heegde denkt niet zozeer aan het afstoten van bevoegdheden, maar om het samen komen tot een ‘brand’ van de Zaancorridor. Er moet worden gekozen, stelt ook Erik Schuumans. ‘Je moet kiezen voor déze corridor en daarop focussen.’ Daarbij hoort het aanwijzen van concentratiegebieden, aldus Talsma. ‘Die zijn beschreven in Maak Plaats!’ Talsma is blij met de aanwezige energie en hoopt dat die zich verbreedt naar niet-bestuurders en niet-professionals. ‘Knooppuntontwikkeling vraagt om draagvlakverbreding bij marktpartijen en bij bewoners.’ De positieve stemming werd tot slot van het congres bezegeld met het ondertekenen van de intentie-overeenkomst waarin alle betrokken partijen samenwerking toezeggen op het schaalniveau van de Zaancorridor. Tjeerd Talsma onderstreepte het belang van het moment. ‘De intentie-overeenkomst is voor ons een stepping stone, een trede verder naar de realisatie van knooppuntontwikkeling. Dat is een mijlpaal, maar ik stop hier niet!’

Deelsessie ProRail en NS

Door Anne Luijten

Samenwerken op de Zaancorridor: hoe komt frequent treinvervoer binnen bereik?

Betrek marktpartijen zoals projectontwikkelaars en beleggers veel eerder bij knooppuntontwikkeling. Voor het oplossen van technische belemmeringen op het spoor moet financiering worden gevonden, deze maken een frequentiesprong op de Zaancorridor voorlopig onmogelijk.

In de sessie onder leiding van de burgemeester Han ter Heegde van Heerhugowaard werd pijnlijk duidelijk hoe belemmerend de huidige staat van de infrastructuur werkt op het vaker laten rijden van de treinen. Alexandre Vanhoutte van ProRail schetste de technische belemmeringen van diverse aard. Aan de Zaancorridor moeten met voorrang de stations Uitgeest en Amsterdam Centraal worden aangepakt. De emplacementen voldoen niet, waardoor een hogere frequentie onmogelijk wordt. ‘De spagetti van sporen moet worden ontvlochten. Dat is cruciaal voor een sprong op de Zaancorridor.’ Maar ook zijn er talrijke knelpunten zoals bruggen, flessehalzen op het spoor en overpaden. Het ideaal voor de Zaancorridor zijn de ‘interstates’ zoals de Hanzelijn en de Flevolijn, die volledig kruisingsvrij zijn. Kortom de robuustheid en veiligheid van de Zaancorridor moeten flink omhoog. Dat vraagt om te beginnen meer en betere samenwerking. ‘ProRail is daar absoluut toe bereid.’

Drempelwaardes

Hogere frequenties zijn alleen mogelijk als de capaciteit beter over de lijn wordt verdeeld, stelt Heike Luiten van NS. De helft van de reizigers reist nu in de spits waarvan driekwart richting Amsterdam. Als PHS een wens is dan is er nog heel wat te doen, aldus Luiten. ‘Dan moeten we flink wat bijplussen.’ Dat vraagt om het maken van afspraken, óók met andere partijen dan de usual suspects. ‘Ik zie kansen voor partijen die in de stationsgebieden willen investeren.’ Participatietrajecten zijn belangrijk, evenals een vliegwiel met aanzuigende werking. Daarbij denkt Luiten met name aan de niet-drukke stations waar potentie is. Wat er nodig is in de stationsgebieden en wanneer, wat de drempelwaardes zijn: dat alles moet met elkaar worden besproken en vastgelegd. ‘Vanuit onze stationsexpertise denken we graag mee.’

Muizengaten

Voor complexe ontwikkelingen zijn tijdelijke oplossingen nodig, stelt Luiten. Dan moet wel tijdig gezamenlijk worden afgesproken wat je wilt, aldus Addy Verschuren van Zaanstad. Zo kunnen ongelukjes zoals het ‘muizegat’ van station Zaandam worden voorkomen, als ontwikkelingen worden vertraagd. Han ter Heegde vindt dat de marktvraag goed moet worden onderzocht. Welke beleggers zouden geïnteresseerd kunnen zijn? ‘Ze willen zekerheid over hoe de overheid gaat handelen.’ Kosten en baten slaan daarbij op verschillende plekken neer. Met z’n allen moet worden gekeken hoe van mismatch naar match kan worden gegaan. ‘Beleggers vragen zich af: whats in it for me?’

Versnelling

Maar eerst moeten de knelpunten op het spoor worden aangepakt, samen met de gemeenten. PHS op de Zaancorridor is een mooie droom, maar er is te weinig geld, stelt Vanhoutte van ProRail. ‘Wij hebben zelf geen geld.’ De samenwerking aan de voorkant tussen NS en ProRail is cruciaal, stelt Paul Gerretsen van de Vereniging Deltametropool. Versnelling ontstaat doordat de gemeenten direct aan tafel zitten met provincie en NS/ProRail. Daardoor krijgt de Zaancorridor nu meer vaart dan Stedenbaan destijds in Zuid-Holland. Ook een marktverkenning is belangrijk. ‘Betrek de markt en probeer met elkaar dingen uit in een andere manier van wonen en werken. De Zaancorridor heeft de perfecte schaal voor dat experiment.’

Ambitie omhoog

Ambitie is noodzakelijk, maar ook enige creativiteit om nu al zaken aan te pakken. Zoals meer, maar kortere treinen inzetten in de spits, of minder rijden in daluren. Ook Luiten onderschrijft de noodzaak van ambitie, maar, het begint niet met het OV. ‘Openbaar vervoer is een middel om de ruimtelijke ontwikkeling te acceleren. Maar er moet wel een noodzaak zijn voor een frequentiesprong.’ Alexandre Vanhoutte wijst op de grote technische achterstanden op de lijn. ‘Wat vraag je dan van de NS op korte termijn? Dat moet wel reëel zijn. We hebben nog 15 jaar nodig om de lijn op orde te krijgen.’ Voormalig Rijksadviseur Ton Venhoeven doet een oproep om te kwalificeren: de kosten in beeld te brengen en de doelen te specificeren. ‘De basis van het verhaal is gebruik maken van de borrowed size van de Metropoolregio Amsterdam. OV is daarvoor essentieel. De vraag is dan: welke vervoersvraag hoort daarbij en welke taakstelling voor de gemeenten? Een taakstelling die je onderling moet verdelen.’

Derde ring

Nanet Rutten van Grondmij vraagt zich af waarom marktpartijen in de ‘derde ring’ worden gezet. ‘Ook marktpartijen moeten naar het hogere schaalniveau worden getrokken. De belemmeringen voor stationsgebieden zijn overal hetzelfde, laten we daar samen in optrekken en ook afspraken maken wie waar deelneemt.’ Ook Ronald Huikeshoven van AM geeft aan liever aan de voorkant betrokken te worden. ‘Als je enthousiasme wilt organiseren voor de binnenstad, betrek ons er dan eerder bij.’

Deelsessie NS en DRO Amsterdam

Door Bart Witteman

Maak Plaats ter Plekke

Willem van Heijningen en Helga van der Haagen trappen bij afwezigheid van voorzitter Achmed Baadoud af met een presentatie over een gezamenlijk onderzoek. NS Stations en DRO Amsterdam werkten na de verschijning van ‘Maak Plaats’ samen aan een onderzoek naar zes Amsterdamse stations. Daarvoor zochten ze naar een operationalisering van de vlindermodellen voor stationsomgevingen die de Vereniging Deltametropool ontwikkelde. In ‘Maak Plaats’ worden twaalf typologieën voor Noord-Hollandse stations beschreven, maar NS en DRO wilden meer inzicht in de specifieke maatregelen die kunnen worden getroffen rond de zes onderzochte stations. Daarvoor ontwikkelden ze een nieuw model, met als doel zo efficiënt mogelijk aan de slag te gaan met de ‘5D’s’ van TOD (Density-Diversity-Distance-Destination-accessibility-Design), door NS vertaald als ‘verdichten-veraangenamen-versnellen’.

Investeringen

De invloedssfeer van een OV-knooppunt is te verdelen in een aantal schillen. In de directe nabijheid van stations is het effect van investeringen het grootst. Aan de andere kant hebben investeringen in TOD een aantal bewezen effecten op het gebied en het gebruik van OV. Bijvoorbeeld verbetering van de beleving (leefbaarheid), waardevermeerdering van vastgoed, beter gebruik van vervoer in daluren en het ontwikkelen van tegenspits. Bovendien kan de verbetering van de ervaring en bruikbaarheid van een station leiden tot betere benutting van het openbaar vervoer en vergroting van de invloedssfeer van een station.

Hoe kan nu concreet invulling worden gegeven aan investeringen in de 5D’s (of de drie V’s)? Verdichten betekent niet altijd het volbouwen van een stationsgebied. Ook het verbeteren van de gebruikswaarde van een gebied is een vorm van verdichting van gebruik. Bijvoorbeeld door een natuurgebied te ontsluiten en het zodoende ook een functie te geven als recreatiegebied. Veraangenamen heeft te maken met het bieden van diversiteit, in vervoer (bijvoorbeeld van andere modaliteiten) en het aanbieden van voorzieningen. Dit geldt niet alleen voor grote stations, maar juist ook bij de kleinere. Een apotheek of servicepunt kan een station betekenis geven voor de omliggende wijk.

Versnellen en veraangenamen

Versnellen van de reis vindt plaats op het station, maar misschien nog wel meer daar buiten. Bij reistijd en comfort van voor- en natransport is vaak meer winst te boeken dan bij de reis zelf. En tijd wordt een steeds belangrijker factor. Nog niet zo heel lang geleden reisden we per trein zoals we nu vliegen; inmiddels is het nemen van de trein routine. Dit geldt ook op het gebied van veraangenamen. Ontwerp is van belang op het station zelf, maar ook daaromheen, bijvoorbeeld in de vorm van logische en veilige routes daar naartoe. Voor het verbeteren van stations gebruikt NS een Maslow-pyramide. ‘Schoon’ en ‘veilig’ vormen de basis, bovenin zitten de satisfiers als comfort en ervaring. Daarnaast is het zaak aan de slag te gaan met de quick-wins. Om die reden steekt NS veel tijd en moeite in bijvoorbeeld beheer en oplossingen voor fietsparkeren. NS beschouwt dit als quick-wins en kan hiermee een goed voorbeeld geven.

De zaal vraagt zich af of fietsparkeeroplossingen op de lange termijn wel effect hebben. Willem van Heijningen geeft aan dat er inmiddels expertise is opgebouwd en dat blijkt dat goed fietsparkeren vraagt om inzicht in de motieven en routes van fietsers. In bijvoorbeeld Zutphen, Houten, Helmond en de Zuidas heeft dit succes opgeleverd. Van belang is echter niet alleen te realiseren, maar ook vorm te geven aan sluitende oplossingen voor handhaving en exploitatie.

Spinnenweb

Om concrete maatregelen in kaart te brengen is voor de zes onderzochte Amsterdamse stations het ‘spinnenweb’ ontwikkeld. Het spinnenweb bestaat uit vier kwadranten die de positie in de stad/het netwerk en de kwaliteit van de plek weergeven. Elk kwadrant kent vier assen of ‘poten’ waarop het onderzochte station kan worden gescoord: de lage score bij het hart, hoge scores aan de rand. Het spinnenweb is de verbinding tussen de lijnen; hoe hoger de scores, hoe groter het web. Behalve voor de huidige situatie wordt het model ook voor de verbeterpunten ingevuld: wat is op dit station maximaal haalbaar? In vergelijking met het vlindermodel, dat gebaseerd is op een uitgebreide database, is de manier van scoren veel subjectiever.

Na de presentatie gaan de deelnemers aan de slag met de spinnenwebmethode op de Noord-Hollandse knooppunten. Dat blijkt soepel te verlopen: een groot deel van de 64 knooppunten wordt ingevuld en bediscussieerd. Verschillende gebruikers van station Heerhugowaard komen bijvoorbeeld tot een hele lijst concrete snelle verbeterpunten, zoals looproutes en aansluitingen tussen verschillende modaliteiten. Zij denken ook dat quick-wins met deze methode snel kunnen worden geïnventariseerd, wanneer op de station onder gebruikers wordt geënquêteerd. Je zou daarnaast kunnen denken aan een functie als monitor: herhaaldelijk een score ophalen kan inzichtelijk maken of een stationsomgeving vooruit gaat of juist achteruit. Tegelijkertijd beperkt het subjectieve karakter de bruikbaarheid van deze methode: verschillende stations kunnen nu niet met elkaar worden vergeleken en dat maakt prioriteren of scoren per type ingreep moeilijk. Bovendien: een valkuil van zo’n integrale benadering is dat je automatisch ook enorm veel verschillende aspecten ophaalt om mee aan de slag te gaan: waar te beginnen? En bij welke opgaven is er ook daadwerkelijk een hefboom (urgentie of middelen) om ze mee te realiseren?

Energie losmaken

De organisatoren sluiten af met te stellen dat dit allemaal relevante aspecten zijn, maar dat het goed is om te beseffen dat door één kleine ingreep te realiseren veel meer energie kan worden losgemaakt dan in een complex afstemmings- en besluitvormingsproces. De spinnenwebmethode dient daarbij als een laagdrempelige manier om visie te ontwikkelen op basis van concrete wensen rond stations.

Deelsessie Erwin van der Krabben en Saskia Beer

Door Rogier Beenders en Jelle Hengstmengel

Financiering van knooppuntontwikkeling? Zet een stap terug en gooi het proces open!

Hoewel de titel van de sessie anders doet vermoeden, was het financieren van knooppuntontwikkelingen niet het prominente gespreksonderwerp. De aanwezigen constateerden al aan het begin van de sessie dat het proces van knooppuntontwikkelingen niet ver genoeg gevorderd is om over financiering na te denken. Aan de hand van inleidingen van Erwin van der Krabben (Radboud Universiteit Nijmegen) en Saskia Beer (Glamourmanifest) werden de aanwezigen getriggerd om na te denken over het opbouwen van een actieplan voor de ontwikkeling van vier OV-knooppunten in de provincie Noord-Holland: Amsterdam Sloterdijk, Zandvoort, Amsterdam Holendrecht en Heerhugowaard. Wat zou je morgen al kunnen oppakken, liefst nog vandaag? Voorzitter Astrid Heijstee-Bolt, wethouder van de gemeente Weesp, kwam tot de conclusie dat vaak niet alle stakeholders betrokken zijn of te laat worden aangehaakt bij het proces. Oftewel zoals Erwin van der Krabben het verwoordde: ‘Typisch Nederlands, jullie willen te snel.’

Stedelijke herverkaveling

Stedelijke herverkaveling is niets anders dan agrarische herverkaveling in stedelijk gebied. Als vastgoedeigenaren er vrijwillig er niet uitkomen dan kunnen overheden het instrument als stok achter de deur inzetten, aldus Erwin van der Krabben. Vraaguitval vanuit de markt los je met het instrument echter niet op, net zoals de twijfel over de efficiëntie van stedelijke herverkaveling in een aantrekkende economie.

Desalniettemin biedt het bij onhandige eigendomssituaties een kader om samenwerking tot stand te brengen, waarbij tevens een verbetering van het financiële resultaat voor gemeenten is te bereiken. Zij dienen namelijk niet meer vroegtijdig te investeren in gronden, waardoor de rentelasten van een ontwikkeling minder hoog zijn. Stedelijke herverkaveling blijft zodoende een interessant onderwerp, waarbij het echter wachten blijft op de juridische verankering in wetgeving. Op 1 juli is een motie aangenomen door de Tweede Kamer om het instrument versneld te verankeren in de wet, nog voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de Omgevingswet zal stedelijke herkaveling als apart hoofdstuk worden opgenomen.

Verbeeldingskracht

“Het is van belang om geen stip, maar een vlek op de horizon te zetten. Waarbij we bij de ontwikkeling niet afhankelijk zijn van een grote zak met geld of veranderingen in de wetgeving. De noodzaak schuilt in het verkrijgen van draagvlak van steeds meer stakeholders, in het geleidelijk opbouwen van vertrouwen.” Saskia Beer heeft met haar Glamourmanifest talloze partijen bij elkaar verzameld om in het kantorengebied Amstel III de broodnodige ontwikkelingen van de grond te krijgen, wat ondanks de strategische ligging te kampen heeft met leegstand. Een grootschalige herontwikkeling bleek echter niet mogelijk te zijn door de veelheid aan eigenaren en versnipperde eigendomsposities.

Het is Glamourmanifest gelukt met behulp van een campagneachtige aanpak om een enorme database op te bouwen van datgeen wat zich afspeelt achter de spiegelende gevels van de gebouwen, ondanks dat er geen concrete opdracht lag. Eén van de succesfactoren is de toegankelijkheid van het ‘luchtige’ manifest, dat een alternatieve toekomst suggereerde en niet zozeer gepresenteerd is als een vaststaand antwoord. Ook voor mensen zonder enige kennis van gebiedsontwikkeling is het manifest te begrijpen, zodat men geslaagd is om een realtime proces van co-creatie op te bouwen. Het zetten van kleine stappen en de focus op het maken van een startbeeld hebben hun meerwaarde hierbij bewezen.

Commitment

Het langdurig commitment van Glamourmanifest heeft de mogelijkheid geboden om te experimenteren. De functie van het manifest is volgens Saskia Beer volbracht, nu is de tijd aangebroken om door te pakken. Het financieel en menselijk kapitaal is volgens haar namelijk wel aanwezig in het gebied, maar het is wijd verspreid onder veel verschillende partijen en zit gecodeerd in verschillende belangen en prioriteiten. Door gebiedseigen en open datasets samen te stellen en dit te vertalen in een webbased 3D-model (ModelMe) krijgen de stakeholders een lokaal overzicht geboden van mogelijkheden om eigen initiatieven te ontplooien. Onder het model wordt een infrastructuur van crowdfunding ontwikkeld, zodat de financiële middelen van partijen aan elkaar zijn te koppelen. Zo is het vrij generieke manifest doorontwikkeld naar een eigen verhaal, dat voortborduurt op het creëren van mede-eigenaarschap in het gebied.

Met de wijze woorden van de inleiders hadden de vier groepen genoeg input gekregen om na te denken over een actieplan. Tot echte concrete acties leidde het echter niet meteen, zeker niet tot acties die bij wijze van spreken morgen zijn op te starten. Zo is Amsterdam Sloterdijk een ingewikkeld en groot knooppunt, waarbij het onzeker is of het algemene commitment nu serieus aanwezig is. Nu hebben partijen door talloze kaders te benoemen het proces al op slot gegooid. De groep gaf als belangrijkste aanbeveling om de regels te herijken vanuit de verschillende overheden. Een aantal gebiedscondities verdienen extra aandacht in de aanpak van het gebied zoals de kwaliteit van de openbare ruimte, de ontsluiting van het station en de overstapfunctie.

Denkers en doeners

Hoe anders is Zandvoort aan Zee als knooppunt. Het dorp wil zich neerzetten als de badplaats van Amsterdam, maar wat vindt de inwoner van Zandvoort hiervan? De groep was van mening dat de oprichting van een community ‘Zandvoort forever’ een creatief antwoord biedt op het opstarten van ontwikkelingen in de badplaats, net zoals het zoeken van ambassadeurs. De groep bij de casus Amsterdam Holendrecht kwam tot de conclusie dat nog niet alle benodigde stakeholders aan tafel zitten en wijst daarom de gemeente aan om het gesprek met vastgoedeigenaren, ziekenhuis, bewoners, kleine bedrijven en andere stakeholders te organiseren. Bij de casus Heerhugowaard kwam men tot de belangrijkste constatering dat er vooral denkers aan tafel zitten bij de ontwikkeling van het knooppunt.

Saskia Beer merkte tenslotte op dat de doeners juist in de community zijn te vinden. Gooi het proces open en laat zoveel mogelijk partijen meedenken. Een indringende, afsluitende boodschap van deze sessie, die van toepassing is op alle knooppunten. In kleine stappen, met de focus op een gezamenlijke invulling van het startbeeld, valt daarna vast over financiering te praten.

Zie ook:

Auteur

Portret - Anne Luijten
Anne Luijten

Voormalig hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte