Opinie Toen columnist Hans-Hugo Smit de politieke analyses na de gemeenteraadsverkiezingen las, viel hem de term ombudsmanpolitiek op. Hij trekt de vergelijking met ons vakgebied en ziet daar tot zijn spijt ook regelmatig ombudsmanwoningbouw voorbijkomen. “Tijd voor een woningbouwprogramma dat niet pleaset, maar richting geeft: rechtvaardig, toekomstbestendig en waardengedreven.”
Lokale partijen waren de grote winnaar bij de gemeenteraadsverkiezingen. ‘Zij weten beter wat er lokaal speelt,’ duidden analisten. En: ‘Zij luisteren beter naar hun burgers’. De term ‘ombudsmanpolitiek’ viel: politiek die minder vanuit ideologie, maar vooral pragmatisch inspeelt op actuele wensen van burgers. Volgens critici wordt bij deze vorm van politiek meer gekeken naar de korte dan naar de lange termijn en prevaleert lokaal boven mondiaal. Zo hebben veel lokale politici hun burgers beloofd AZC’s tegen te houden, de landelijke spreidingswet daarmee negerend. Als de politiek focust op wensen van vandaag, wie borgt dan de belangen van morgen?
Die vraag kunnen we ons ook bij woningbouw en gebiedsontwikkeling stellen. Is ook daar sprake van een ombudsmentaliteit? Vorig jaar verscheen de laatste editie van het WoON, het driejaarlijks onderzoek onder tienduizenden huishoudens naar woonsituatie en woonwensen. Nederlanders blijken een uitgesproken voorkeur voor koop én voor veel vierkante meters hebben. Sommige onderzoekers trekken daaruit de conclusie dat we door te focussen op betaalbaarheid en starterswoningen nu de verkeerde woningen bouwen. Zij verheffen de consumentenwens tot kompas voor nationaal woonbeleid. Maar is koersen op zoveel mogelijk bouwen conform consumentenwensen niet een soort ombudsmanwoningbouw?
Onze collectieve voorkeur voor ruim en koop is geen natuurwet, maar een systeemuitkomst. Door de systemische bevoordeling van koop - onder meer via de hypotheekrenteaftrek - word je tegenwoordig van kopen rijk en van huren arm. Logisch dat WoON een duidelijke koopvoorkeur laat zien. Iets soortgelijks geldt voor de voorkeur voor grote eengezinswoningen. In recent onderzoek concludeert RIGO dat ‘[h]et probleem met de woonwensen is dat ze zijn gekleurd en gevormd zijn door een voorraad die tot stand kwam onder omstandigheden die niet meer terugkomen.”
Een woningbouwprogramma, dat niet alleen reageert op uitgesproken voorkeuren, maar deze ook durft te kantelen
Vrij vertaald: wensen zijn geen objectieve waarheid en ook niet altijd reëel. We zijn gewend aan veel meters. En aan grondgebonden wonen. Dus vragen we veel royale eengezinswoningen. We wonen gemiddeld al op 55m2 per persoon. Hoe ‘wenselijk’ is het blijven bouwen van grote eengezinswoningen in een land met ruimte-, materiaal- en klimaatbeperkingen?
Als we systeemvoortgebrachte voorkeuren tot kompas maken, gieten we ons woonwensfetisjisme in beton. Dat levert woningen op die de woonconsument misschien prettig vindt, maar de samenleving niet dienen, terwijl dát is waar we als gebiedsontwikkelaars voor staan opgesteld. Kunnen we het gesprek verschuiven van ‘wat willen bewoners nu?’ naar ‘wat is houdbaar en rechtvaardig over twintig jaar?’. Met een woningbouwprogramma, dat niet alleen reageert op uitgesproken voorkeuren, maar deze ook durft te kantelen.
Bijvoorbeeld door huur en koop gelijkwaardiger te maken, waardoor voorkeur niet langer door fiscale prikkels, maar door leefkwaliteit en geschiktheid wordt bepaald. En door compacter en klimaatbewuster te bouwen. Vaker binnen bestaand stedelijk gebied, vaker zelfs binnen bestaande bebouwing (splitsen, optoppen en inwoning). Zo creëren we woningen die misschien niet bovenaan de verlanglijstjes staan, maar wel passen binnen de grenzen van ruimte, klimaat en betaalbaarheid. Tijd voor een woningbouwprogramma dat niet pleaset, maar richting geeft: rechtvaardig, toekomstbestendig en waardengedreven.
Cover: ‘Hans-Hugo Smit Column Cover’ door Esther Dijkstra (bron: Illustratie Esther Dijkstra, bewerkte foto Matthijs van Roon)






