Recensie Recensent Jaap Modder las het proefschrift van Peter Paul Witsen, althans de populaire versie daarvan. Het blijkt evenwel nog steeds stevige materie te zijn en dat past ook wel bij het thema: hoe planologen in Nederland te werk gaan. Hun werkwijze blijkt zwaar aan revisie toe, met onder meer een veel grotere noodzaak om veel dichter op de ‘geleefde stad’ te zitten en de sociale ontwikkelingen die zich daar voor doen. Op naar een ‘responsieve’ planningstijl.
“God created the world but the Dutch created the Netherlands.” Dat werd al in de 18e eeuw over ons land gezegd. Zou die gedachte een rol hebben gespeeld bij de nog steeds heersende cultuur in het ruimtelijk vakgebied, een cultuur van het streven naar perfectie en het volmaakte? En daaruit voortspruitend: het maken van allesomvattende integrale plannen? Zou kunnen, maar in deze eeuw aangekomen verschijnt er wel wat twijfel aan de kim over deze pretentie. “Wie alles met alles verbindt krijgt niets meer in beweging.” Dat stelt Peter Paul Witsen in de populaire versie van zijn proefschrift Beweging in het plan. Die ‘populaire versie’ met als titel Een plan en dan is overigens minder populair (= gemakkelijk te lezen) dan je zou denken. Het is vakliteratuur avant la lettre, een road trip met de nodige afslagen naar voor planologen wellicht onbekend terrein. Niettemin is de centrale boodschap glashelder.
Een plan en dan - hoe de ruimtelijke ordening zichzelf in de weg zit
De toelichting van de uitgever: “Windturbines, riviergeulen, datacenters. Allerhande transities hebben onmiskenbaar hun invloed op de Nederlandse steden en landschappen. Voor de een symbolen van een nieuwe duurzame toekomst, voor de ander hinderlijke verstoringen van een vertrouwde omgeving. Het is aan de ruimtelijke planning om deze transities ruimtelijk te organiseren. Ze komen boven op de traditionele maar even dringende verstedelijkings- en beschermingsopgaven. In de twintigste eeuw bouwde Nederland een roemruchte planologische traditie op. Iconische plannen zorgden ervoor dat werkgelegenheid, verkeer en voorzieningen gelijk tred hielden met de groei van de woningbouw. Ze hielden natuurschoon en landbouwgebieden vrij van stedelijke bebouwing.
Nog steeds worden zulke grote, integrale plannen gemaakt. Maar hoe houdbaar is het integrale ruimtelijke plan, nu de opgaven zich opstapelen en het verloop ervan hoogst onvoorspelbaar is? Nu de samenleving meer en meer pluriform wordt en zich niet meer zo gewillig achter één collectief verhaal schaart? ‘Een plan en dan…’ is een bewerking van het proefschrift ‘Beweging in het plan’, waarmee Peter Paul Witsen promoveerde aan de TU Delft. Hij bepleit een responsieve planningsstijl, dicht op waar de beweging is. Daarmee werpt hij een actueel licht op wat een integraal ruimtelijk plan kan doen en betekenen. Foto’s van Marieke Kijk in de Vegte en Sabina Theijs verbeelden de verhouding tussen planning en samenleving: soms bezielend, soms gespannen.”
- Auteur
- Peter Paul Witsen
- Uitgever
- Blauwdruk
- Aantal pagina’s
- 144
- Prijs
- 24,50
Witsen gaat er met gestrekt been in. Een plan en dan opent met: “Planologen weten van veel iets, maar ze weten van niets veel.” Mogelijk heeft dat de auteur aangezet zijn heil over planning en plannen vooral ook elders te zoeken. Elders, bij de filosofen, bij de vaders van het pragmatisme en bij theoretische en sociologische denkers over planning op andere terreinen zoals Lindblom en Etzioni. Met deze referenties weet je al ongeveer waar de auteur gaat uitkomen: mag het een beetje minder met die opgeblazen ideeën over ruimtelijke plannen?
Integrale plannen werken niet, in ieder geval niet meer. Ruimtelijke planning is veel politieker geworden en de onvoorspelbaarheid van allerlei transities alleen maar groter. Integrale plannen zijn hun impact kwijt, ze kunnen onmogelijk aansluiten op de diversiteit in de samenleving en hun voorspelbaarheid in een snel veranderende wereld is dubieus geworden. Complexe vraagstukken vragen om een andere planningsstijl. Oftewel: een keuze voor plannen gericht op een specifieke opgave (die tevens rekening houden met andere “weggebruikers”) ligt anno 2026 meer voor de hand. Dat laatste noemt Witsen “integratief”.
Verbanden leggen
En over die kennis die ten grondslag ligt aan al die integrale plannen, tja, die is ook fluïde. De waarheid van vandaag kan morgen een andere zijn. Immers, de betekenis kan veranderen. Bouwen op min zes onder de zeespiegel, dat feit blijft maar de betekenis die eraan wordt toegekend kan radicaal veranderen. Planners kunnen zich derhalve niet meer legitimeren op kennis maar moeten dat in de eerste plaats doen op een morele rechtvaardiging. Het plan ‘Ruimte voor de rivier’ vormt een goede illustratie over wat Witsen ons te vertellen heeft. Dat plan is niet integraal maar integratief. De opgave was begrensd tot waterveiligheid maar de plannenmakers en ontwerpers legden van daaruit verbanden naar andere beleidsopgaven en ruimtelijke kwaliteit en gaven daar vorm aan.
Witsen onderscheidt visionaire plannen, operationele plannen en strategische plannen – ze komen naast elkaar voor
Een centraal element in de gedachtegang van de auteur is dat ruimtelijke plannen moeten aansluiten op “sociale praktijken”. Dat begrip komt overigens ook uit een andere hoek, die van de sociologische benadering van bestuur en beleid. Het kijkt niet naar individuele handelwijzen maar naar grotere sociale structuren. De auteur doelt hier mogelijk op (onderscheidene delen van) het maatschappelijk middenveld. Daar komen maatschappelijke veranderingen vaak het eerste binnen en ze zijn zelf ook de bron van maatschappelijke veranderingen. Een ruimtelijke planning die snel en adequaat wil reageren op veranderingen met ruimtelijke gevolgen kan dus maar beter “dicht op de huid” van de sociale praktijken zitten. Dat bedoelt Witsen met een responsieve planningsstijl; pragmatisch inderdaad.
In de eigen voet
Je zou zeggen, dat weten we toch allang? In de wereld van de gebiedsontwikkeling is dit – denk ik – een open deur maar in de wereld van de planologie vraagt dit misschien om een boek als dit. Overigens relativeert Witsen het afscheid dat hij graag zou willen nemen van integrale plannen. Hij onderscheidt namelijk visionaire plannen, operationele plannen en strategische plannen. Niet als hiërarchie maar als naast elkaar in de tijd aanwezige plannen. Met name de laatste categorie loopt risico’s met de gehanteerde integrale scope. Dat soort plannen schiet gemakkelijk in de eigen voet, omdat ze onvoldoende aansluiten op sociale praktijken. Visionaire plannen daarentegen kunnen/mogen nog wel degelijk integraal zijn omdat ze een poging doen een ander waardestelsel binnen te brengen of een toekomstbeeld met andere ontwikkelprincipes maar ook omdat ze niet meteen op uitvoering zijn gericht. En voor operationele plannen geldt hetzelfde. Hier betreft het veelal een overheidsactiviteit en daar geldt dat alle afwegingen die bij het plan zijn gemaakt, ook op tafel worden gelegd.
‘Molens’ (bron: Blauwdruk)
Ik heb het proefschrift dat aan dit boek ten grondslag ligt niet gelezen maar deze versie ligt af en toe ook best zwaar op de maag. De auteur brengt gelukkig nogal wat casuïstiek langs, in korte afzonderlijke tekstblokjes. Dat maakt wat uit te midden van zinnen waar lang over nagedacht is en behoorlijk aan gesleuteld is. De auteur wil vooral zorgvuldig formuleren. En dat gaat dan af en toe weer ten koste van de leesbaarheid. Over die tekstblokjes, een trefzekere case vindt hij in de Atlas van de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam (van Ivan Nio, Arnold Reijndorp en Wouter Veldhuis, red.). Dat is overigens meer een onderzoek dan een plan maar het laat zien dat de sociale praktijken van “de geleefde stad” meer aandacht verdienen bij planvorming. Ook hier denk ik dat deze aanpak in de wereld van de gebiedsontwikkeling zijn intrede al heeft gedaan.
Witsen laat ons in dit boek kennismaken met auteurs/denkers die ook voor de wereld van de ruimtelijke planning relevant zijn. Neem de Amerikaanse filosoof John Dewey die bijna 100 jaar geleden al een betekenisvol onderscheid maakte tussen de “planned society” en de “planning society”. In de planned society is het heden ondergeschikt aan een strikt nagejaagd toekomstbeeld. In de planning society, de plannende samenleving, is men bezig met de toekomst, vanuit het besef dat alleen het heden kan worden aangestuurd. Dat mag wat mij betreft wel op een (serieus) tegeltje voor de werk- of studeerkamer van de professionals in de vakwereld van de ruimteljke planning.
Dit is een boek voor gevorderden in de planologie. De casuïstiek is relevant voor gebiedsontwikkelaars. En de fotografie van Marieke Kijk in de Vegte en Sabina Theijs laat zien waar de ruimtelijke planning ertoe doet maar ook waar het informele zich soms een weg moet banen door een aangeharkt land.
Cover: ‘Woonboten Groningen’ (bron: Blauwdruk)





