Shoppen door Inside Creative House (bron: Shutterstock)

Growth for good, lukt het tegengaan van klimaatverandering zónder ontgroeien?

16 april 2024

7 minuten

Recensie De Italiaan Alessio Terzi schreef een boek over hoe economie en duurzaamheid zich tot elkaar verhouden. Stoppen met groeien – degrowth – blijkt niet per se dé panacee, ontdekt recensent Frank van Oort. Het boek stemt tot nadenken maar de concrete handelingsperspectieven ontbreken.

Het boek Growth for Good, Reshaping Capitalism to Save Humanity from Climate Catastrophe van Alessio Terzi, werkzaam bij de Europese Commissie, zoekt een weg om de afruil tussen economie en duurzaamheid hanteerbaar te maken. Het voorwoord plaatst Terzi in een discussie over de Italiaanse economie in Rome in 2007, waar hij structuurveranderingen voorstelde voor economische groei. Zijn gastheer zag slechts één oplossing: stoppen met economisch groeien en op termijn zelfs krimpen. Terzi dacht 15 jaar na over degrowth en komt dan met dit boek dat het dilemma van de betaalbaarheid van klimaatverandering als uitgangspunt neemt.

De ware prijs

Op een congres in Rotterdam enkele maanden terug gaf Terzi aan dat we in navolging van Kate Raworth’s donut-economie allemaal wel duurzaamheid en inclusie willen, maar dat haalbaarheid en betaalbaarheid wel degelijk argumenten zijn die het merendeel van de bevolking vast omarmt. Radicale standpunten die ten koste gaan van de eigen portemonnee zijn moeilijk te verkopen, ondanks de noodzaak en urgentie van verandering. Een experiment van supermarktketen Penny in Duitsland, die een week lang in alle filialen producten ging aanbieden voor de “ware prijs” (de prijs die rekening houdt met duurzaamheid en inclusie in het gehele productie- en distributieproces), eindigde al na enkele dagen: er werd bijna niets meer verkocht. Consumenten willen niet echt inleveren voor een betere wereld. Terzi stelt daarom voor om langzaam te veranderen in plaats van snel. Dat maakt de acceptatiekans groter. Hebben we daar echter de tijd voor?

Terzi’s argumenten zijn geworteld in traditioneel economisch denken: eerst welvaartscreatie, en vervolgens welvaartsverdeling

Evolutie dus in plaats van revolutie. Advies in plaats van interventie. Hoe gaat een zachte hand dan werken? Terzi begint defensief, door uit te leggen waarom ontgroeien niet in de aard zit van mensen. Hij beargumenteert dat iedereen een drive heeft tot persoonlijke groei, tot het opwerken in de Maslov-keten. Het zich kunnen ontplooien naar de beste kansen die het leven biedt, is het belangrijkste wat mensen gelukkig maakt. Wij westerlingen hebben dat sinds de industriële revolutie massaal gedaan, maar nu wordt het ook tijd voor dezelfde kansen voor een sterk groeiende bevolking op andere continenten, zoals Afrika en Azië. Die kun je eenzelfde ontwikkelingsperspectief niet onthouden, en alleen daardoor al is groei nog een breed gedragen adagium.

Terzi is wel voorstander van duurzaamheid-bevorderende innovatie in het Westen, op het gebied van energietransitie, mobiliteit, productie, en droogte- en waterveiligheid. Wij kunnen het namelijk betalen en vervolgens ook exporteren naar die nieuw opkomende landen. Toch een korte-termijn hoge prijs voor ons westerlingen dus. En daarmee een groeiende afhankelijkheid van de Global South van het innoverende Noorden.

Afkopen met publiek geld

Terzi’s argumenten zijn geworteld in traditioneel economisch denken: eerst welvaartscreatie, en vervolgens welvaartsverdeling. Compensatie vindt plaats voor de negatieve externe effecten, zoals vervuiling, congestie en criminaliteit. CPB-directeur Pieter Hasekamp spreekt in de Elsevierlezing van 2023 van een “compensatiesamenleving”: we houden weliswaar steeds meer rekening met verdelingseffecten van investeringen in de samenleving, maar vooral áchteraf waarbij elk probleem met een forse zak publieke middelen lijkt te moeten worden afgekocht.

“Van de Verdeling komt de Winst,” staat er in een citaat van Nobel-laureaat Jan Tinbergen te lezen voor de Spar op de campus van de Erasmus Universiteit. Dat is altijd de kern van economie geweest. Volgens Tinbergen is het nut van de economische wetenschap om bij te dragen aan rechtvaardig beleid en politiek gericht op het welzijn van de mensheid. Brede welvaart is al zo oud als de economische theorie.

Elektrische auto door www.hollandfoto.net (bron: Shutterstock)

‘Elektrische auto’ door www.hollandfoto.net (bron: Shutterstock)


Maar wat mensen waarderen – de korte definitie van brede welvaart – verschilt sterk voor bevolkingsgroepen. Zonder baan of huis zal materiële welvaart eerder worden gewaardeerd, met baan en huis komen leefomgeving, veiligheid en geluk al snel om de hoek kijken. Afweging van economie, duurzaamheid en inclusie (ongelijkheid) is aan mensen zelf en in het Westerse systeem is de afweging in een democratisch bestel. Als mensen bestaanszekerheid, inkomen en eigen gewin uiteindelijk prefereren boven andere dimensies van brede welvaart, waaronder duurzaamheid, dan is dat ook een legitieme uitkomst. Ontgroeien is vrijwel nergens een democratische uitkomst. Uit dit dilemma-debat komt ook Terzi niet ongeschonden.

Grotere taart

De externe effecten waarvoor gecompenseerd moet worden, worden steeds meer centrale zaken. Ze tasten het welzijn van mensen aan en geld alléén kan dat niet repareren. Terzi balanceert in zijn sturingsmodel tussen wat haalbaar is (met innovatie, evolutionaire ontwikkeling, marktwerking en ruimte voor persoonlijke expansie) en wat nodig is. Hoofdstuk 2 in zijn boek maakt bijzonder helder hoe economische groei de basis is van het kapitalistische model en hoe innovatie daarin een cruciale rol speelt. Groei maakt de taart groter en dat is goed voor iedereen. Als je het maar goed verdeelt, lijkt de hoofdgedachte. Hoofdstuk 3 schetst een schrikbeeld van een economie die ontgroeit (“Post-Growth Dystopia”). Dan ook minder menselijk kapitaal, minder innovatie en minder status die mensen ontlenen aan ontwikkeling. Geopolitiek gezien acht Terzi het onwaarschijnlijk dat klimaatverandering de mensheid verenigt. Een missie-gedreven benadering zoals Mariana Mazzucato voorstelt, zet hij weg als onwerkbaar eco-socialisme. Een volgens Terzi second best tussenvorm, “groene groei”, komt dan toch het meest in de buurt van zijn door innovatie gedreven duurzaamheidsgroei die vervolgens kan worden geëxporteerd. De rest van het boek gaat over dit evolutionaire, innovatie-gedreven “green plan to avoid disaster”.

Zonder een globale geaccepteerde doelstelling blijft lange-termijn ecologische duurzaamheid ook uit

Ook plannen in de gebouwde omgeving worden aangestipt, met investeringen in zonne-energie, duurzame mobiliteit, groen in de wijk, en tegen hittestress en wateroverlast. Synergiën op de drie dimensies moeten worden gezocht. Een voorbeeld dicht bij huis is de ontwikkeling van de E-metrolijn tussen Rotterdam en Den Haag. Dat is een voorbeeld van meervoudige waardecreatie: er is aantoonbaar economische waardecreatie in de huizenwaarde nabij stations die na de oplevering van de lijn meer waard worden – aantoonbaar onafhankelijk van andere factoren die effect hebben op de waarde.

Daarnaast levert deze metrolijn duurzaamheidswaarde op omdat meer mensen met het openbaar vervoer in plaats van de auto naar het werk gaan (in de spits zit de lijn overvol). Bovendien profiteren laag- en middelbaar opgeleide werkzoekenden in de twee stedelijke regio’s van een groter daily urban system. Ze vinden (weliswaar nog mondjesmaat) ook werk in de grotere regio. Dit soort investeringen ziet Terzi graag, maar zijn ze afdoende?

Vormen van ongelijkheid

Door die middenpositie van het boek, tussen kapitalistische marktwerking en ontgroeien in, lijken uiteindelijk alle drie de doelen (economie, duurzaamheid, inclusie) minder dichtbij te komen. De voorbeelden komen over als druppels op een gloeiende plaat. Maximale groei blijft uit en daarmee krimpen wellicht ook middelen voor compensatie van externe effecten. Zonder een globale geaccepteerde doelstelling blijft lange-termijn ecologische duurzaamheid ook uit. En door de innovatie-gedreven afhankelijkheid van transitielanden wordt de globale ongelijkheid niet kleiner, eerder groter.

Het Planbureau voor de Leefomgeving vroeg zich onlangs af wat minder ongelijkheid eigenlijk inhoudt, en onderscheidt drie vormen. Maximale ongelijkheid, maar met compensaties – het model dat we de laatste decennia hebben gebruikt en dat nog steeds lijkt te floreren, afgezien van het feit dat we die compensaties niet allemaal goed kunnen becijferen. Absolute gelijkheid, waarbij kansen voor iedereen overal hetzelfde zijn. Dat is gezien de uitsortering van talent en typen werkgelegenheid in steden moeilijk zomaar te bewerkstelligen. Of relatieve gelijkheid, waarbij een bepaald minimumniveau van waarden gewaarborgd wordt.

Zonnepanelen op het balkon door Mariana Serdynska (bron: Shutterstock)

‘Zonnepanelen op het balkon’ door Mariana Serdynska (bron: Shutterstock)


In dat laatste geval blijft ongelijkheid bestaan, maar met een ondergrens. Het is niet eenvoudig kiezen en alle vormen vereisen acceptatie en uitvoeringsgerichtheid. Het wordt duidelijk dat een veranderende nadruk op een van de drie dimensies people, planet en profit, ultimo wel degelijk betekent dat er offers gebracht moeten worden. De zelfsturende werking van de markt blijkt immers beperkter dan lang gedacht: daar begon het boek mee. Een bestuurskundige systeemverandering die een andere keuze maakt, zit er volgens Terzi niet snel in.

Dus blijf je aan het eind van het boek langere tijd peinzend achter – ik in ieder geval wel. Het boek is een uitstekende introductie op het dilemma van uitruilen en synergie tussen duurzaamheid en economie. Het geeft aan dat het meer gaat om “kunnen” (governance, politiek) dan om “kennen” (wetenschap). Je begrijpt na lezing dat ontgroeien per se niet dé panacee is. Hoe dan wel? Het valt op dat de wetenschap langzaam is in het formuleren van antwoorden op deze dilemma’s van klimaatverandering. Wellicht té langzaam; de 15 jaar nadenken van Terzi leverde een actueel en goed leesbaar boek op dat tot nadenken stemt, maar hopelijk wordt het al veel sneller opgevolgd door een boek over concrete handelingsperspectieven.


Cover: ‘Shoppen’ door Inside Creative House (bron: Shutterstock)


Frank van oort

Door Frank van Oort

Professor ruimtelijke economie aan Erasmus Universiteit Rotterdam


Meest recent

Wembley stadion in Londen door FedericoCangiano (bron: Shutterstock)

Het grote vlaggenschip, dit leert Feyenoord City ons over aanjagers en vertragers in gebiedsontwikkeling

De vervlechting van aanjagers met gebiedsontwikkeling creëert zowel kansen als risico’s, zo laten Wouter Jan Verheul en collega-onderzoekers van Arcadis zien met hun onderzoek naar Feyenoord City. Wat kunnen we hiervan opsteken?

Uitgelicht
Analyse

24 mei 2024

Project Groeneweerd, onderdeel van de Tuinen van Zandweerd in Deventer. door Jonah Samyn (bron: De Architect)

Landschappelijk klein wonen met elkaar, zo ontwerpt Woonpioniers dat

Het tikt behoorlijk veel boxjes: compact wonen zonder veel spullen en ballast, in de sociale huur, onder architectuur ontworpen en ingepast in stedenbouw en landschap. We kijken rond bij acht bijzondere tiny houses in Deventer.

Casus

24 mei 2024

GO weekoverzicht 23 mei 2024 door Gebiedsontwikkeling.nu (bron: Gebiedsontwikkeling.nu)

Dit was de week van de realiteitscheck

Deze week stond op Gebiedsontwikkeling.nu de realiteitscheck centraal. Van de woningbouw in het coalitieakkoord, de inzet van data voor de invulling van plinten en de manier waarop verdichting helpt bij een gezonde leefomgeving.

Weekoverzicht

23 mei 2024