Analyse Nederland kent al jaren forse ambities voor de uitbreiding en aanpassing van de woningvoorraad en de werklocaties. Daarbij klinken doorlopend pleidooien voor ‘integratie’ in planning en realisatie; zo werd deze term in de Ontwerp-Nota Ruimte zo’n 120 keer opgenomen. Terecht vindt Joris Winters van Arcadis, vanwege de gelijktijdige opgaven die spelen, maar de praktijk blijft volgens hem toch te verkokerd. “Waar is de 'integrator'?”
Rijksbouwmeester Francesco Veenstra bepleitte onlangs een manier van bouwen die draait om “behoud en gebruik voor velen... om langdurige betekenis en meervoudige waarde.” Hij vroeg zich af of we in 2026 in staat zijn de “verantwoordelijkheid niet langer door te schuiven, maar samen te organiseren.” Een veelzijdige vraag die voor het aspect van verantwoordelijkheid een reeks aan beschouwingen oproept, gelet op de forse Nederlandse opgave voor de woningbouw. Waarbij het zowel gaat om de ontwikkeling van nieuwe steden en wijken als om de verduurzaming en een beter gebruik van de woningvoorraad. Een opgave die zich bovendien afspeelt tegen een achtergrond van energie-, mobiliteits- en agrarische sectortransities. Het onlangs gepresenteerde coalitieakkoord onderstreepte de ernst van de situatie: het werkwoord ‘bouwen’ prijkte in de ondertitel en werd daarna nog 40 keer opgenomen.
‘Samenwerking’ werd in dat coalitieakkoord zelfs nog wat vaker genoemd. Het belang daarvan lijkt ook moeilijk te overschatten. Want in tijden van netcongestie, verdichting in steden en overbelaste rail- en weginfrastructuur is een geïntegreerde aanpak van energievoorziening en mobiliteit onvermijdelijk. Zo bestaat al langer de vrees dat een vol stroomnet de woningbouwambities gaat dwarsbomen. Dat geldt op langere termijn in het bijzonder voor de 127 nationale en vier regionale grootschalige woningbouwlocaties die vanuit het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in de Ontwerp-Nota Ruimte werden aangekondigd.
Coördinerende rol
Nederlandse voorbeelden van een daadwerkelijk integrale aanpak in gebiedsontwikkeling zijn vooralsnog schaars. Op het thema energievoorziening zijn de bedrijventerreinen leidend, zoals Medel in Tiel. Daar kwam in 2024 de eerste geheel zelfvoorzienende energyhub van Nederland tot stand. Hierdoor kan deze bedrijfslocatie na veel obstakels – zoals het stikstofprobleem en netcongestie – alsnog uitbreiden. Alle stroom op de uitbreiding wordt ter plekke lokaal opgewekt, verbruikt, opgeslagen en uitgewisseld, waardoor het overbelaste elektriciteitsnet er niet onder lijdt. Dit is mogelijk dankzij een samenwerking tussen het Industrieschap, de gebruikers van de uitbreiding van het bedrijvenpark, energie-infrastructuurspecialist Joulz en netbeheerder Liander. Maarten Otto, CEO van (het overkoepelende) Alliander, kondigde onlangs aan de samenwerking – met onder meer energieleveranciers – ‘meer te willen gaan opzoeken’ in 2026.
In nieuwe woongebieden ontstaan vergelijkbare voorbeelden van samenwerking bij energievoorziening; in enkele situaties ook gekoppeld aan initiatieven voor mobiliteitsmanagement. Zo werd voor de Merwedekanaalzone in Utrecht door de gemeente en de gezamenlijke projectontwikkelaars een mobiliteitsbedrijf opgericht, waarbij ze allen participeren in de exploitatie van enkele ‘mobiliteitshubs’. Een geïntegreerde aanpak voor energie- en mobiliteitsvoorzieningen geldt echter niet alleen op nieuwbouwlocaties. Het is zaak een dergelijke integrale aanpak ook te hanteren bij het verduurzamen van bestaande wijken. Daarmee kan de aanleg van warmtenetten bijvoorbeeld gecombineerd worden met het verzwaren van het elektriciteitsnet – zowel kabels als transformatoren. In een ideaal scenario kan daar een coördinerende rol van grotere verenigingen van eigenaren en woningcorporaties meer gestalte krijgen. Maar in de praktijk laten schaal en complexiteit van de (transitie)opgaven dat niet toe.
Buitenland
De grote vraag die resteert is dus: wie is de ‘integrator’? Dat de term geen Nederlandse vertaling kent is veelzeggend. ‘Alliantiebouwer’ zou in de buurt komen: professionele aandacht voor het smeden van allianties is essentieel voor effectieve integratie. Zo is in de Verenigde Staten de rol van alliance managers als intermediair naar andere organisaties meer geïnstitutionaliseerd dan in Europa, waar een gebrek aan vertrouwen in zo’n rol soms overheerst. De impliciete gedachte bij de intermediairs, in navolging van de Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880), is deze: ‘there are some men whose only mission among others is to act as intermediaries; one crosses them like bridges and keeps going.’
Voor integratie bij de aanpak van woongebied(sontwikkeling)en is het zaak het coöperatiemodel sterker te ontwikkelen
Inspirerende voorbeelden van een succesvolle integratie in het ruimtelijke domein zijn in het buitenland wel genoeg te vinden. Die laten zien dat dat een integrator een conglomeraat kan zijn, zoals het Japanse Daiwa House dat sinds 2011 net zero communities inclusief energie- en mobiliteitsvoorzieningen ontwikkelde. Een ander model is de aanstelling van intermediairs als een energy service company (ESCO) die zich specifiek richt op opwekking, opslag en handel in electriciteit voor de wijk. Dat gebeurde onder meer bij de ontwikkeling van het Britse Trent Basin-woongebied, waar de grootste community energy battery werd geplaatst en bewoners kunnen kiezen voor participatie in de ESCO.
Sleutelpersonen
Die mogelijkheid (toekomstige) bewoners direct betrokken te houden, is cruciaal voor de haalbaarheid en het raagvlak. Desgewenst kan dat ook risicodragend gebeuren in de exploitatie van energie- of mobiliteitshubs. De coöperaties fungeren dan als ideaal vehikel om dat mogelijk te maken, zoals bij het grote aantal Nederlandse energie coöperaties al gebeurt. Voor integratie bij de aanpak van woongebied(sontwikkeling)en is het zaak het coöperatiemodel sterker te ontwikkelen. Ook hier zijn voldoende voorbeelden, zoals het sinds 1907 toegepaste Wohngenossenschaften-model van coöperaties bij de ontwikkeling van Zwitserse woonwijken. Dit model is daar sterk verankerd in lokale planning, wet- en regelgeving en (co)financiering vanuit gemeentekrediet, pensioenfondsen en bewoners.
Langjarige aanwezigheid van ‘sleutelpersonen’ is daarbij cruciaal; uiteindelijk blijft samenwerking een werkwoord en vooral mensenwerk. Het is dus zaak die personen niet alleen zo vroeg mogelijk aan tafel krijgen en te houden. Een goed voorbeeld is de ontwikkeling (vanaf medio jaren 90 in de vorige eeuw) van het Paleiskwartier naast het station in Den Bosch. Het resultaat van een publiek-private samenwerking waarvan uit zowel publieke als private zijde dezelfde directie ruim 20 jaar leiding gaf. Willem van der Made (directeur vanuit gemeente Den Bosch) merkte daarover op: ‘omdat al die mensen zo lang meedraaien, is het hun plan geworden... Gebiedsontwikkeling is niet iets van tien jaar. Een project als dit doe je maar eens in je leven’.
Het valt toe te juichen dat in het coalitieakkoord “een totaalaanpak” is aangekondigd voor wonen, werken, bereikbaarheid, groen en andere voorzieningen, die “samen worden ontwikkeld.” Zorg er dan wel voor dat dan alle partijen daar nu al bij betrokken zijn, de vroegtijdige samenwerking opzoeken. Zij moeten het smeden van allianties erkennen als een vak en daarbij het juiste gereedschap hebben: de (coöperatieve) modellen om de samenwerking handen en voeten mee te geven.
Impressie van het community energy concept in de gebiedsontwikkeling Trent Basin in Nottingham (UK).
Wilt u reageren op dit artikel of een gastbijdrage voor Gebiedsontwikkeling.nu schrijven over een ander onderwerp? Bekijk dan hier de mogelijkheden.
Cover: ‘Vlissingen met windmolens’ door Lea Rae (bron: Shutterstock)











