platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Zet in op regionale arrangementen voor ruimtelijke vraagstukken

Zet in op regionale arrangementen voor ruimtelijke vraagstukken

Windmolens 27-9-18" (CC BY 2.0) by Bas van Oorschot

8 apr 2019 - De regio is het logische schaalniveau om actuele ruimtelijke vraagstukken in samenhang op te pakken. Op bestuurlijk niveau daarentegen zijn regio’s nog altijd ‘zwarte gaten’. Co Verdaas, André van der Zande en Tim Zwanikken van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) roepen op om niet in te zetten op de vorming van nieuwe regionale bestuursorganen, maar om de samenwerking tussen uiteenlopende partijen ruim baan te geven.

Vriend en vijand zijn het erover eens: op het regionale schaalniveau hangen actuele opgaven inhoudelijk met elkaar samen. We zijn bijvoorbeeld bekend met de lastige afstemming tussen verstedelijking en mobiliteit, zoals wordt aangetoond in de ontwerpstudies voor de regio Arnhem-Nijmegen-Foodvalley. Daar zijn de afgelopen jaren nieuwe afstemmingsopgaven bijgekomen, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, kringlooplandbouw en circulaire economie. Omdat veel regio’s bestuurlijke daadkracht missen, of in ieder geval tandeloos zijn, bestaat het gevaar dat opgaven onderling moeten strijden om politieke aandacht, beleidsurgentie en de inzet van geld en menskracht.

Eerdere pogingen om deze bestuurlijke gaten te dichten zijn stukgelopen – denk aan het debacle van de stadsprovincies en de opheffing van de WGR-plusgebieden. Het is daarom niet raadzaam om opnieuw te koersen op een bestuurlijke oplossing die gepaard gaat met langdurig ideologisch gepalaver. Het is kansrijker om in te zetten op regionale samenwerkingsarrangementen.

Het kabinet onderschrijft dit ook. In het Interbestuurlijke Programma (IBP) staat dat de afhankelijkheid tussen rijk, provincies en gemeenten is toegenomen en dat het optrekken als één overheid noodzakelijk is. Niet voor niets spreken de schrijvers van de NOVI van een Nationale Omgevingsvisie in plaats van een Rijksomgevingsvisie.

Landsdelen en perspectiefgebieden
In die NOVI worden vooralsnog twee regionale schaalniveaus onderscheiden: de vijf landsdelen (MIRT-omgevingsagenda’s) en de ‘perspectiefgebieden’. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) daarentegen spreekt in zijn in 2018 verschenen advies over de NOVI van zo’n dertig regio’s (grofweg gebaseerd op de daily urban systems) waarbinnen opgaven in hoge mate samenhangen. De Rli stelt dat het rijk die regio’s niet afzonderlijk tegemoet moet treden, want in alle regio’s is rijksinzet nodig.

Het rijk doet er goed aan om in de NOVI een gebiedsgerichte aanpak op het regionale schaalniveau zo goed mogelijk te ondersteunen. Dit kan met samenwerkingsarrangementen (bestuursakkoorden) en financiële arrangementen. Bij dit laatste moet het om meer gaan dan de huidige regiodeals. De NOVI zou bijvoorbeeld over een eigen budget moeten beschikken, vergelijkbaar met het Besluit Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) in het verleden. Met dergelijk ‘handgeld’ kan gestimuleerd worden dat sectorale, nationale en decentrale budgetten worden gekoppeld en dat een integrale aanpak wordt gestimuleerd. Op de lange termijn moet het Infrastructuurfonds (in werking vanaf 2030) worden omgebouwd naar een Omgevingsfonds. Daarmee verschuift de focus van het oplossen van infrastructurele knelpunten naar de realisatie van duurzame integrale gebiedsontwikkelingen. Het streven naar omgevingskwaliteit moet als expliciete doelstelling gelden.

Verzilveren van kansen
Het wekt geen verbazing dat wij geen voorstander zijn van een selectieproces tot acht of tien perspectiefgebieden. Liever zien we een beleidsmatige aanwezigheid van het rijk in alle regio’s. Die hebben niet alleen behoefte aan een gecoördineerde inzet van middelen, maar ook aan een vernieuwde beleidsaandacht van het rijk. Met de decentraliseringsoperaties zijn veel taken – met een significante bezuinigingsopdracht – richting de regio geschoven. De rijkskantoren in de regio zijn gesloten, en een enkele accountmanager heeft de ondankbare taak de communicatie tussen rijk en regio te verzorgen. Hierbij is geen rekening gehouden met de complexiteit van samenhangende opgaven in de regio. Het gaat niet langer om het voorkomen dat sectorale doelen elkaar in de weg zitten, maar om het slim combineren en verzilveren van kansen.

‘een enkele accountmanager heeft de ondankbare taak de communicatie tussen rijk en regio te verzorgen’

De aard van de opgaven en het DNA van een regio bepalen waaruit die rijksinzet moet bestaan. Dat betekent dat differentiatie mogelijk is, waarbij een regio meer of minder bijdraagt aan een nationale doelstelling, maar de optelsom van alle regionale aanpakken beantwoordt aan de nationale doelstellingen.

Veel van de transitieopgaven staan nog in de kinderschoenen. Het zijn papieren voornemens die nog niet in alle regio’s zijn doorvertaald. Natuurlijk zijn er kleinschalige initiatieven – zoals experimenten met natuurinclusieve landbouw in Flevoland – maar de optelsom ervan telt bij lange niet op tot de nationale doelen voor 2050.

Niet afwachten
Dit betekent niet dat de regio’s moeten afwachten, zoals ook blijkt uit het project Regio van de Toekomst – waarin op initiatief van de beroepsverenigingen NVTL (voor tuin- en landschapsarchitectuur) en BNSP (voor Nederlandse stedenbouwkundigen en planologen) in vier regio’s ontwerponderzoek is verricht. De studie door de landschapsarchitecten Ruut van Paridon en Abe Veenstra voor de Eemsdelta laat zien dat de nationale ambitie tot verduurzaming een motor kan zijn voor de sociaaleconomische en culturele vitaliteit van de regio – mits lokale spelers betrokken zijn, de verdiencapaciteit in de regio blijft en geïnvesteerd wordt in lokale omgevingskwaliteit.

De Rli onderzocht in de Zuidwestelijke Delta de regionale consequenties van actuele opgaven. De raad pleit op basis van deze studie voor gedegen samenwerking tussen overheden, marktpartijen, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen, zonder deze in een juridisch jasje te willen gieten. Gezien de maatschappelijke impact van de transities gaat het ook om het beter verbinden van overheid en samenleving. Net als in de Eemsdelta bleek uit de studie dat transities niet als bedreigingen moeten worden gezien, maar als kansen voor de aanpak van lokale opgaven.
Verduurzaming kan een motor zijn voor sociaaleconomische groei, als innovatie en kennisverspreiding niet vanuit een sectorale economische insteek (het topsectorenbeleid), maar vanuit een samenhangende aanpak worden opgepakt.

Ontwerpkracht is nodig om aan die samenhang invulling te geven. In het proces van visievorming, beleidsontwikkeling en uitvoering kan ontwerpend onderzoek de impact van opgaven en de samenhang ertussen in beeld brengen. Het ontwerp is noodzakelijk om creatieve oplossingen te vinden voor abstracte en complexe duurzaamheidsopgaven.


Dit artikel verscheen eerder in het maartnummer van tijdschrift Blauwe Kamer

Lees hier het advies van de raad voor de leefomgeving en infrastructuur

Auteurs

co verdaas pp
Co Verdaas

Hoogleraar Gebiedsontwikkeling TU Delft, Dijkgraaf waterschap Rivierenland, oud-gedeputeerde Gelderland

Bekijk alle artikelen
Portret - Tim Zwanikken
Tim Zwanikken

Senior adviseur omgevingsbeleid Rli & Tim Zwanikken Advies

Bekijk alle artikelen
andre van der zande
André van der Zande

Gepensioneerd directeur-generaal RIVM

Bekijk alle artikelen