platform voor kennis, nieuws en opinie
Zoeken
platform voor kennis, nieuws en opinie

Zo creëer je sociale veerkracht via gebiedsontwikkeling

Zo creëer je sociale veerkracht via gebiedsontwikkeling

Le Medi Bospolder-Tussendijken Rotterdam

Nee, we hebben nog geen banlieus of getto's. Maar ook Nederlanders trekken zich - uit eigen beweging of omdat ze niet anders kunnen - steeds vaker terug in homogene wijken. Dat gaat ten koste van de sociale veerkracht in de samenleving, stelt Dries Zimmermann, planoloog bij de gemeente Rotterdam. Voor zijn studie tot Master City Developer beschrijft hij in dit essay zijn observaties én geeft hij drie adviezen om via gebiedsontwikkeling de sociale veerkracht weer te vergroten.

Nederland is de afgelopen jaren ongelijker geworden en in toenemende mate ‘ontmengd’. De ongelijkheid slaat naast economisch ook op verschillende schaalniveaus ruimtelijk neer. Er tekent zich steeds meer een samenleving van twee snelheden af, waarin sociaaleconomisch sterke groepen en groepen die het minder hebben elkaar minder en minder tegenkomen. Deze ontmenging is een stress die de sociale veerkracht van de Nederlandse samenleving in gevaar brengt en deze daarmee op verschillende schalen destabiliseert. Alleen als verschillende groepen elkaar blijven tegenkomen, ontstaat er - de voor een samenleving noodzakelijke - samenhang als basis voor sociale veerkracht.

In dit essay ga ik eerst in op het begrip sociale veerkracht, dat ik als ‘analytische lens’ voor dit onderzoek gebruik. Vervolgens duid ik het proces van ontmenging en verlies van samenhang en ontheemding in Nederland in de afgelopen decennia, aan de hand van een literatuurstudie met enkele voorbeelden. Ik maak hierbij gebruik van zowel geografische als sociologische literatuur. Dit proces is onmogelijk in zijn totaliteit te beschrijven, maar ik stip de vier grote ontwikkelingen aan die hieraan ten grondslag liggen. Ook laat ik zien wat de effecten van deze ontwikkelingen zijn voor de sociale veerkracht van de Nederlandse samenleving. Hierna volgt een discussie van de resultaten en een richting voor de toekomst. Ik sluit af met aanbevelingen voor de praktijk van gebiedsontwikkeling.

1: Sociale veerkracht als bril
We kunnen de Nederlandse samenleving bekijken met sociale veerkracht als bril. Daarvoor is belangrijk om het begrip ‘veerkracht’ eerst wat beter te duiden. Waar vroegere definities van veerkracht zich richten op de snelheid van terugkeren naar dezelfde stabiele staat of balans (engineering resilience), of de grootte van de schok die een systeem kan absorberen om terug te keren naar hetzelfde of een nieuw evenwicht (ecological resilience), gebruik ik de socio-ecologische of evolutionaire interpretatie van veerkracht (zie Davoudi, 2012 en Coaffee & Lee, 2016).

Evolutionaire veerkracht verwerpt de notie van evenwicht in systemen en gaat ervan uit dat de aard van systemen constant aan verandering onderhevig is (Scheffer, 2009, geciteerd in Davoudi, 2012). Veerkracht wordt hier niet begrepen als een terugkeer naar een ‘normaal’, maar als “…het vermogen van complexe sociaal-ecologische systemen om te veranderen, aan te passen en, cruciaal, te transformeren als reactie op shocks en stresses” (vrij vertaald citaat uit Davoudi, 2012, p.302, refererend aan Carpenter et al., 2005).

Dit kan goed uitgelegd worden aan de hand van het model van Holling (Holling, 1973). Holling beschrijft vier opeenvolgende fases: groei, stabilisatie of behoud, creatieve afbraak, en reorganisatie. Het proces dat Holling schetst, laat zien dat met het groeien en stabiliseren van een systeem, de veerkracht afneemt. Daardoor dreigt een destabilisatie of zelfs ineenstorting van het systeem, bijvoorbeeld onder invloed van bepaalde shocks en stresses. Dit maakt vervolgens de weg vrij voor nieuwe systemen. De fase van creatieve afbraak is een fase van grote onzekerheid die gepaard gaat met grote veerkracht.

De panarchie; een genest systeem van cycli op verschillende schaalniveaus
‘De panarchie; een genest systeem van cycli op verschillende schaalniveaus’ door Davoudi (bron: ResearchGate)

Als aanvulling op het model hebben Gunderson en Holling (2002) het idee van een ‘panarchie’ bedacht, als tegenstelling voor hiërarchie (zie afbeelding 1). De essentie van dit model is dat er niet één cyclus bestaat, maar een ‘genest systeem’ van verschillende cycli op verschillende schaalniveaus (zowel in tijd en ruimte als op verschillende institutionele niveaus) die op elkaar inwerken. De panarchie gebruik ik in dit essay om de ontwikkelingen van sociale veerkracht in Nederland te kunnen duiden. Hierin heb ik gekozen voor Nederland als het ‘traagste’ systeem of cyclus op het hoogste schaalniveau, met daaronder steden, en voor het laagste, snelst veranderende systeem het niveau van (individuele) interactie op buurtniveau. Als er instabiliteit ontstaat in een van deze systemen, heeft dat een effect op de andere systemen.

Sociale veerkracht en ‘erbij horen’

Ik ga nu iets dieper in op specifiek sociale veerkracht. Hall en Lamont (2012, p.24) geven de volgende omschrijving van dit begrip (refererend aan Taylor, 1992):

“Onze voornaamste zorg betreft welzijn in brede zin en hoe dit wordt verzekerd door groepen mensen die min of meer met elkaar verbonden zijn in een organisatie, klasse, raciale groep, gemeenschap of land. Overeenkomstig gebruiken we de term sociale veerkracht om een ​​resultaat aan te duiden waarin de leden van een groep hun welzijn behouden ondanks de uitdagingen die ermee te maken hebben. We definiëren welzijn in brede zin en omvatten fysieke en psychologische gezondheid, materieel levensonderhoud en het ‘gevoel van waardigheid en erbij horen’ dat hoort bij een erkend lid van de gemeenschap zijn.”

Deze omschrijving legt niet alleen de nadruk op het welzijn van het individu, maar richt zich ook nadrukkelijk op het belang van onderdeel te zijn van een groep en de capaciteit van de groep om voor welzijn te zorgen. Dit begrip van sociale veerkracht is wezenlijk om de ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving te analyseren. Juist ‘erbij horen’ is in toenemende mate een gevoelig punt in Nederland. Verder stellen Hall en Lamont (2012), gebaseerd op onder andere werk van Putnam (2000), dat goede sociale netwerken op verschillende manieren de sociale veerkracht versterken. Er zijn dan namelijk altijd mensen bereid anderen te helpen.

2: Bedreigingen voor de sociale veerkracht van Nederland
Nederland is de afgelopen decennia in toenemende mate ‘ontmengd’. De ongelijkheid tussen groepen is toegenomen en verschillende groepen komen elkaar steeds minder tegen. Er is een veelheid aan factoren als oorzaak hiervan aan te wijzen. Veel rapporten en cijfers gaan in op de geografische uitsortering van groepen onder invloed van schaarse ruimte en prijzen, maar er zijn ook factoren van meer sociologische aard die van invloed zijn op ontmenging. Ik stip daarom enkele grote ontwikkelingen aan die effect hebben op de ontmoeting tussen verschillende groepen in verschillende schaalniveaus in Nederland.

De geatomiseerde moderne samenleving

Het nadenken over wat de samenleving samenbindt, begint niet vanaf nul. Toen de industriële revolutie begon, kwam er een enorme trek naar de stad op gang. Steden als Londen en Parijs groeiden in de 19e eeuw uit tot metropolen met een miljoenenbevolking (zie bijvoorbeeld McCann, 2013). Vroege, klassieke sociologen zoals Tönnies (1887), Durkheim (1893) en Simmel (1903) beschreven de effecten hiervan op de (‘moderne’) stadsbewoner, die zij contrasteerden met de (‘premoderne’) bewoners van meer ‘dorpse’ gebieden. Het leven in de metropool was anoniem maar daardoor ook vrij, terwijl het dorpse leven vaak gekenmerkt werd door sterke sociale cohesie, maar ook door de daarmee samenhangende sociale controle. 

“De autochtone bevolking voelt zich soms bedreigd in hun thuisgevoel door immigranten die ‘anders’ zijn”

Het verlies aan sterke sociale relaties werd door veel van de vroege sociologen geproblematiseerd. De geringe sociale controle in de moderne metropool zou in hun ogen tot ‘normloosheid’ (Durkheim, 1893) en ‘sociale disorganisatie’ kunnen leiden, waarbij sociale disorganisatie door Thomas en Znaniecki (1918) gedefinieerd wordt als: “…het onvermogen van leden van de gemeenschap om gedeelde waarden te bereiken of gezamenlijk ervaren problemen op te lossen”. In het extreemste geval zou de samenleving kunnen ‘atomiseren’, dus alleen nog maar bestaan uit losse individuen die weinig tot niks meer met elkaar van doen hebben (Simmel, 1903). Een samenleving in deze toestand kunnen we typeren als weinig sociaal veerkrachtig, en misschien wel rijp voor creatieve afbraak.

Globalisering en een verlies van thuisgevoel

Hoewel er ontegenzeggelijk aanknopingspunten te ontwaren zijn in de theorieën van de klassieke sociologen om onze ‘los-vaste’ moderne maatschappij te verklaren, is het schrikbeeld van een geatomiseerde, normloze samenleving geen waarheid geworden. Mensen hebben namelijk van nature de behoefte om ergens bij te horen en zoeken mensen op die op hen lijken (zie bijvoorbeeld Granovetter, 1973). Het vormen van een groep gaat gepaard met het ‘insluiten’ van sommigen, en het ‘uitsluiten’ van anderen die minder goed bij de groep passen.

Dit proces van in- en uitsluiting wordt treffend beschreven in de uiteenzetting over ‘thuis voelen’ door socioloog Duyvendak (2011). Hij beschrijft dat thuis voelen niet alleen gaat over het comfortabel zijn in je eigen woning, maar ook om je ‘publiekelijk’ thuis te voelen: een gevoel van thuis in de gemeenschap. Dit linkt sterk aan een onderdeel van de definitie van sociale veerkracht. Een thuisgevoel bindt een individu of een gemeenschap aan een bepaalde plek. Duyvendak schrijft dat thuis voelen in de eigen, private woning tot weinig problemen leidt, maar “…de publieke manifestatie van thuisgevoelens door een exclusieve groep op een grondgebied dat als hun eigendom wordt geclaimd, kan veel problematischer zijn” (p.83).

Zo leidt de toegenomen mobiliteit tussen landen door globalisering in Nederland bijvoorbeeld tot problemen rond immigratie. De autochtone bevolking voelt zich soms bedreigd in hun thuisgevoel door immigranten die ‘anders’ zijn, en niet aan hun normen en waarden voldoen (Duyvendak, 2011). Dit wakkert populisme en nationalisme aan. Dit speelt niet alleen op nationaal niveau; vergelijkbare processen van angst voor het verlies van identiteit en ontheemding door de influx van ‘vreemdelingen’ spelen bijvoorbeeld op buurtniveau (zie bijvoorbeeld Frijhoff in Reijndorp & Reinders, 2010, p.32).

Tegelijkertijd voelen de nieuwkomers zich buiten de samenleving geplaatst. Dit gebeurt op landelijk niveau, denk bijvoorbeeld aan de uitspraak van Geert Wilders over Marokkanen (ANP & NU.nl, 2014), maar ook op lokaal niveau, als bijvoorbeeld iemand door een Marokkaanse achternaam niet wordt uitgenodigd voor sollicitatiegesprekken. De uitspraak van Wilders heeft een effect op het niveau van die individuele Nederlander met een Marokkaanse achtergrond; die kan zich voelen alsof er in Nederland geen plek voor hem is.

Kijkend naar de definitie van sociale veerkracht, komt dit de sociale veerkracht van de Nederlandse samenleving niet ten goede. Andersom zal de frustratie van de persoon die niet uitgenodigd wordt voor sollicitatiegespreken ook niet bijdragen aan een veerkrachtigere samenleving. Integendeel; als dit kleinschalige voorbeeld zich veel vaker voordoet bij verschillende mensen, kan dat ertoe leiden dat het systeem op een hoger schaalniveau instabiel wordt.

Een wereld van sociale bubbels

De afgelopen decennia hebben (groepen) mensen manieren gevonden om om te gaan met deze ‘angst voor de ander’: ze zijn hun eigen leefwereld gaan samenstellen (zie Hajer & Reijndorp, 2001, en De Cauter, 2009). Hajer en Reijndorp (2001): “De samenleving is geworden tot een archipel van enclaves waarbij mensen met verschillende achtergronden steeds effectievere strategieën hebben ontwikkeld om de mensen die ze willen ontmoeten te ontmoeten, en de mensen die ze willen mijden te mijden” (p.56). De verplaatsingen tussen de plekken van ontmoeting met gelijkgestemden gebeurt in toenemende mate ‘capsulair’, hetzij in letterlijke zin door bijvoorbeeld het pakken van de auto, hetzij in figuurlijke zin door afsluiting van de buitenwereld met een koptelefoon op (zie bijvoorbeeld Mitchell, 2005 en De Cauter, 2009). Uitwisseling tussen groepen vindt als gevolg hiervan steeds minder plaats (Hajer & Reijndorp, 2001).

Ook het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zien een kloof tussen groepen in Nederland, met name langs de scheidslijnen van hoog- en laagopgeleid. Uit hun rapport “Gescheiden werelden?” (Bovens, Dekker & Tiemeijer, 2014) blijkt dat de kloof nog niet zo groot is als bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, maar dat er aanwijzingen zijn dat deze wel groeit. In West-Europese landen blijkt de toenemende polarisering juist over globaliseringskwesties – zoals immigratie – te gaan. Daar komt nog eens bij dat met de opkomst van ICT en sociale media de ‘bubbels’ van elkaar steeds minder ontmoetende groepen waarschijnlijk alleen maar sterker worden (zie het rapport “De Toekomst Tegemoet” van het SCP, 2016).

De steeds sterker wordende sociale bubbels duiden niet per se op een minder sterk sociaal netwerk, maar wel op een steeds homogener netwerk. Kijkend naar het laagste schaalniveau van de panarchie, is dit voor mensen in groepen met een sterke sociaaleconomische positie vaak niet erg. Voor mensen met meer kwetsbare positie is het lastiger, zeker als hun netwerk vooral bestaat uit mensen die het ook lastig hebben. Die kunnen dan ook niet zomaar bijspringen.

Op het schaalniveau van Nederland ontstaat er ook een probleem. Als de mensen die het goed hebben alleen maar in contact komen met gelijkgestemden (ook wel bonding genoemd, zie Putnam, 2000) en niet met ‘de ander’, is het dan wel mogelijk empathie op te bouwen voor die groepen? Blijft de ‘bovenklasse’ nog wel bereid om een groot deel van hun belasting af te dragen om de ‘onderklasse’ te ondersteunen, als ze niemand in zo’n situatie meer kennen? Zelfs Barack Obama heeft hier de noodklok al eens over geluid (zie een artikel van het AD, Van Marrwijk, 2016).

De Franse socioloog Wacquant (2009) laat zien dat deze zorgen inderdaad terecht zijn, aan de hand van onderzoek naar minderheden en achterstandswijken. Hij beschrijft een proces waarbij, onder invloed van neoliberalisme, de overheid mensen steeds minder vooruit probeert te helpen en tegelijkertijd juist steeds meer en harder straft. Mensen krijgen bijvoorbeeld steeds minder gemakkelijk een uitkering, en het aantal gedetineerden is in veel westerse landen sinds de jaren ’80 flink gestegen.

Oftewel: empathie tussen groepen blijkt een zeer belangrijke schakel in sociale veerkracht van Nederland, en juist die empathie lijkt door een gebrek aan ontmoeting tussen groepen af te brokkelen.

Neoliberalisme en (ruimtelijke) ontmenging

De laatste belangrijke drijver van de ontmenging van de Nederlandse samenleving is de opkomst van het neoliberalisme. Vanaf de jaren ’80 werd de verzorgingsstaat die na de Tweede Wereldoorlog was opgebouwd langzaam ontmanteld en trok de overheid zich steeds meer terug. Dit heeft er de afgelopen jaren voor gezorgd dat niet alleen de sociaaleconomische verschillen tussen groepen zijn vergroot, maar dat deze verschillen ook steeds meer ruimtelijk neerslaan. 

“Angst en onbegrip voor de ander leiden tot spanning in de Nederlandse samenleving”

Met name steden worden in steeds mindere mate toegankelijk voor bepaalde groepen. Zo wordt in de publicatie ‘Toegang tot de Stad’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (2020) de terugtredende overheid als belangrijkste reden aangestipt dat de stad in steeds mindere mate voor iedereen toegankelijk wordt. De Rli beschrijft dat de betaalbaarheid en toegankelijkheid van wonen, vervoer en publieke voorzieningen onder druk staan voor niet alleen de traditioneel kwetsbare groepen, maar ook voor de middeninkomens. Ze stelt dat “…de toenemende verschillen tussen burgers in de stad ongerechtvaardigd zijn en verder toenemen bij ongewijzigd beleid” (2020, p.7). Ook Hochtsenbach en Musterd (2018) zien dat door ‘staatsgeleide gentrificatie’ – in hun optiek emblematisch voor neoliberaal huisvestingsbeleid – groepen met een lagere sociaaleconomische positie steeds minder gemakkelijk een huis in de stad kunnen bemachtigen.

Dit alles zorgt ervoor dat groepen met een hoge en lage sociaaleconomische status – waartussen de kloof qua belevingswereld al steeds groter wordt – ook nog eens ruimtelijk steeds meer van elkaar gescheiden raken. Dit geldt niet alleen voor het schaalniveau van de stad, maar ook op de buurt- en landelijke schaal (zie afbeelding 2).

Toenemende ruimtelijke verschillen in huizenprijzen
‘Toenemende ruimtelijke verschillen in huizenprijzen’ door Hochstenbach & Arundel (bron: RGS Library)

De combinatie van de beschreven ontwikkelingen kan het beste getypeerd worden met een voorbeeld. In extreme gevallen kan onbegrip en uitsluiting leiden tot rellen (denk aan de rellen in verschillende buurten, zoals de Haagse Schilderswijk en het Utrechtse Overvecht, in de zomer van 2020 [1]) – te interpreteren als een shock – die hun weerslag hebben op de landelijke media en politieke beleids- en besluitvorming. Coaffee en Lee (2016) zouden deze link tussen interacterende schaalniveaus van systemen een ‘revolte’ noemen [2]. Kortom: angst en onbegrip voor de ander leiden tot spanning in de Nederlandse samenleving, op verschillende schaalniveaus die op elkaar inwerken.

3: Vier ontwikkelingen
Samenvattend heb ik vier ontwikkelingen beschreven die de samenhang tussen groepen in de Nederlandse samenleving op verschillende schaalniveaus aan het wankelen brengen. Ten eerste is Nederland ontwikkeld van een ‘dorpse’ naar ‘moderne, stedelijke’ samenleving, waarbij de sociale controle en sociale verbanden minder sterk zijn geworden. Ten tweede voelen veel Nederlanders zich onder invloed van globalisering en immigratie bedreigd in hun collectieve thuisgevoel. Dit leidt tot schuring tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ bewoners van buurten, steden en zelfs op de schaal van Nederland. Ten derde zijn groepen steeds effectiever geworden in het samenstellen van hun eigen leefwereld, waarbij mensen die op jezelf lijken worden opgezocht en de spreekwoordelijke ander wordt gemeden. Hierbij brokkelt de empathie tussen groepen gaandeweg af. Ten vierde hebben de effecten van neoliberaal beleid en de terugtrekking van de overheid op diverse terreinen geleid tot sociaaleconomische en ruimtelijke ontmenging.

De beschreven ontwikkelingen zijn los te onderscheiden, maar ze beïnvloeden elkaar in sterke mate. Daarnaast is de samenleving onder invloed van deze ontwikkelingen constant in verandering, op alle schaalniveaus: immigranten blijven komen, het dominante politiek-economisch systeem blijft veranderen, er komen ontwikkelingen die zorgen voor een versterking van de sociale bubbels én juist ontwikkelingen die er doorheen prikken. Er is geen evenwicht en geen normaal.

Schaalniveaus van ontmoeting

De systemen van land, stad en (concrete interacties in de) buurt hangen samen en beïnvloeden elkaar. Van nature zoeken gelijkgestemden elkaar op. Het logische schaalniveau hiervoor zijn de concrete interacties op buurtniveau [3], want daar kan iemand zich omringen met ‘ons-soort-mensen’. Dit zien we ook in toenemende mate gebeuren op het niveau van de stad. Steeds meer steden, met name nabij het centrum, zijn slechts bereikbaar voor sociaaleconomisch sterke groepen. Op het niveau van Nederland zullen we het echter ‘met elkaar moeten doen’. En als we elkaar in de buurt of de stad niet meer tegenkomen, wat zorgt er dan voor dat we elkaar op het niveau van Nederland nog willen helpen? Als de onderklasse en bovenklasse in gescheiden werelden leven, kunnen we nog sociaal veerkrachtig blijven?

“De schaal van de stad is bij uitstek de schaal waar juist de ontmoeting met vreemden regelmatig plaats moet vinden”

Toch is het goed om deze conclusies in perspectief te plaatsen. Nederland is lang niet zo gesegregeerd als sommige andere landen (Bovens et al., 2014). Nederland kent geen banlieus of getto’s. Er wordt zelfs gesuggereerd dat meer gemengde steden, zoals de Nederlandse, nog niet te maken hebben gehad met shocks als grote aanslagen (terwijl dat wel geldt voor meer gesegregeerde steden als Brussel, Londen of Parijs), juist omdat in gemengdere steden groepen elkaar nog tegenkomen (zie de site van The New York Times naar aanleiding van een artikel op 20 maart 2012 genoemd in Reijndorp, 2012). Verder is het goed om aan te stippen dat contact tussen groepen niet automatisch leidt tot onderling begrip (zie bijvoorbeeld Putnam, 2007).

Desondanks moeten we anticiperen om veerkrachtig te blijven. Als de stress ontmenging verder doorzet, destabiliseert de samenleving verder en wordt de kans op shocks zoals rellen of andersoortig geweld tussen groepen aanzienlijk vergroot. Daarom moeten we op verschillende schalen het tij keren. Buurten mogen best enigszins homogeen zijn, want dat leidt voor veel mensen tot een gevoel van ‘erbij horen’. Maar juist de concrete interactie met vreemden op deze schaal (door Putnam, 2000, bridging genoemd) kan leiden tot wederzijdse herkenning en vertrouwdheid (zie Van der Zwaard & Van Giersbergen, 2010). Functies als een supermarkt of een station spelen een belangrijke rol in het creëren van deze ‘publieke familiariteit’ (Blokland 2009).

De schaal van de stad is bij uitstek de schaal waar juist de ontmoeting met vreemden regelmatig plaats moet vinden, bijvoorbeeld in een diverse en gemengde binnenstad. In lijn met het advies van de Rli moeten we daarom zorgen dat deze voor iedereen toegankelijk blijft.

Op de schaal van Nederland tenslotte is niets meer passend dan dit citaat van Duyvendak (2011): “Je thuis voelen in de nationale staat is dus het vermogen om comfort te ervaren onder relatieve vreemden” (p.124). Want, relatieve vreemden – die vertrouwder voelen door regelmatige ontmoeting op de schaal van de buurt of stad – zorgen voor meer sociale veerkracht op samenlevingsniveau dan totale vreemden.

4: Sociale veerkracht in de praktijk van gebiedsontwikkeling
Hoe kunnen we in de praktijk van gebiedsontwikkeling een bijdrage leveren aan de sociale veerkracht? Hoewel verre van compleet, geef ik daarvoor drie aanbevelingen.

A: Homogene buurten, gemengde wijken
Allereerst is het helemaal niet verkeerd om toe te geven aan de wens om te wonen onder gelijkgestemden. Maar op een groter schaalniveau is de ontmoeting tussen groepen wél essentieel voor sociale veerkracht. Het principe kan daarom zijn: homogene buurten, gemengde wijken. Natuurlijk is de buurt een moeilijk formeel te definiëren entiteit. Het gaat erom dat hier het publiekelijke thuisgevoel ontstaat, doordat mensen in de straat bijvoorbeeld redelijk vergelijkbare levens leiden. Dit betekent dat het niet noodzakelijk is om bij elke plot die ontwikkeld wordt te eisen dat er altijd een bepaalde mix aan sociaal, middelduur en duur in zit, zolang er op gebiedsniveau maar een bepaalde graad van menging ontstaat. Bewoners voelen zich dan comfortabel onder ‘mensen zoals zij’, maar komen toch af en toe in contact met ‘de ander’. Het is aan de gemeente om deze balans in het oog te houden, in samenwerking met woningcorporaties en ontwikkelaars.

“Verdwijnt het praktisch geschoold werk uit de stad, dan is de kans groter dat de werknemers mee verdwijnen”

Een voorbeeld hiervan is het project Le Medi in de Rotterdamse wijk Bospolder-Tussendijken, een wijk met een groot aandeel sociale huur. In 2008 zijn in deze wijk 93 koopwoningen gerealiseerd, bedoeld voor de stedelijke middenklassen en sociale stijgers (zie bijvoorbeeld Meier, 2009). De nieuwe – wat culturele achtergrond betreft overigens diverse – buurt functioneert mede door de architecturale vormgeving als een domein voor die specifieke groep, en mensen wonen er tevreden. Tegelijkertijd maken de bewoners gebruik van de voorzieningen in de wijk en komen daar in contact met andere groepen (Bosch, Sleutjes & Ouwehand, 2012). Andersom geldt ook dat in wijken met een groot aandeel dure woningen het toevoegen van goedkopere woningen soms een goed idee is. 

Le Medi in Bospolder-Tussendijken
‘Le Medi in Bospolder-Tussendijken’ door Korteknie Stuhlmacher Architecten, z.d. (bron: ksa.nl)

B: Raakvlakken tussen buurten
Ten tweede betekent ‘homogene buurten, gemengde wijken’ dat er op bepaalde plekken raakvlakken tussen buurten ontstaan. Juist deze raakvlakken tussen buurten met verschillende groepen zijn belangrijk voor de interactie tussen groepen (zie bijvoorbeeld het boek van socioloog Sennett uit 2018). De openbare ruimte, zoals een park, kan een belangrijke rol spelen in het bij elkaar brengen van groepen, mits deze zich leent voor verschillende typen gebruik. Het verdient dus aanbeveling om bij het ontwerpen van de openbare ruimte nadrukkelijk oog te hebben voor de sociale compositie van buurten en wijken. Ook functies als de eerder genoemde supermarkt kunnen op de grens tussen twee buurten juist leiden tot publieke familiariteit, ofwel vertrouwdheid tussen groepen (zie weer Blokland, 2009 en Van der Zwaard & Van Giersbergen, 2010).

Opnieuw een Rotterdams voorbeeld: de Konak Döner Kebab aan de achterkant van het nieuwe Rotterdam Centraal. Het gebouwtje oogt misschien wat troosteloos op een verder prachtige plek, maar het is er vaak druk met mensen van divers pluimage. De Konak zit op een kruispunt van allerlei verschillende groepen en vervult als ontmoetingsplek een belangrijke sociale functie. Gemeente, vastgoedeigenaren en ondernemers moeten zich niet blind staren op hippe koffietentjes met gladgestreken glazen gevels voor de cappuccinoslurpende bovenklasse. Juist functies die meerdere groepen trekken op onverwachte plekken, kunnen tot uitwisseling leiden en daarmee een belangrijke basis bieden voor sociale veerkracht.

De Konak Döner Kebab met op de achtergrond Rotterdam Centraal
‘De Konak Döner Kebab met op de achtergrond Rotterdam Centraal’ door Dries Zimmermann (bron: Dries Zimmermann)

C: Toegankelijke steden voor iedereen
De derde en belangrijkste aanbeveling geldt voor alle partijen die actief zijn in steden: zorg dat steden voor iedereen toegankelijk blijven, of het nu wonen, werken, recreëren of reizen betreft. Zorg samen met de markt voor voldoende woningen in verschillende segmenten. Zet op gebiedsniveau in op van goedkoop tot duur. Heb niet alleen oog voor hoogopgeleid kantoorwerk in de stad, maar ook voor praktisch geschoolde arbeid die op bedrijventerreinen plaatsvindt. Omdat bedrijfslocaties niet altijd het meeste opleveren, bestaat het risico dat deze door het sturen op maximale opbrengst verdwijnen. Maar verdwijnt het praktisch geschoold werk uit de stad, dan is de kans groter dat de werknemers mee de stad uit verdwijnen. De gemeente heeft middelen in handen om te sturen op behoud van bedrijventerreinen in de stad, bijvoorbeeld met bestemmingsplannen. Daag daarnaast de markt uit om met voorstellen van combinaties tussen (maak)bedrijven met woningen te komen. Bied een divers palet aan voorzieningen aan, en richt je niet alleen op de jonge hoogopgeleiden. Heb oog voor functies die verschillende groepen bij elkaar brengen, zoals de Konak Döner Kebab. Zorg tenslotte dat reizen betaalbaar blijft. Goed en betaalbaar openbaar vervoer is bijvoorbeeld voor veel mensen essentieel om deel te kunnen nemen aan de stedelijke samenleving.

6: Ten slotte
Deze aanbevelingen beogen een stedelijke samenleving waar verschillende groepen mensen zich publiekelijk thuis kunnen voelen, maar zich ook af en toe geconfronteerd zien met mensen die anders zijn dan zij. Dit leidt op lokaal niveau niet altijd tot begrip, soms zelfs tot schuring. Maar juist het elkaar tegemoet treden op het niveau van de buurt of de stad, zorgt ervoor dat op het aggregatieniveau van de Nederlandse samenleving als geheel groepen geen totale vreemden van elkaar zijn - en daarmee voor sociale veerkracht. 

[1] Het ging hier om rellen die voortkwamen uit het niet naleven van de coronamaatregelen. Niet toevallig echter vonden de rellen veelal plaats in vrij gesegregeerde, sociaaleconomisch minder sterke wijken. De belevingswereld van deze bewoners sluit niet altijd aan bij die van andere groepen in de samenleving. Het politieke debat hierover, dat op verschillende schaalniveaus werd gevoerd (landelijk en stedelijk), ging onder andere over harder ingrijpen en harder straffen (zie opnieuw Wacquant, 2009)

[2] Aan de andere kant keerde op termijn de relatieve rust in de wijken terug door ingrijpen door ‘een groter systeem’, in dit geval het ingrijpen door de politie (zie ook voetnoot 1). Die stabilisering van het systeem door toedoen van een groter systeem zouden Coaffee en Lee dan weer als remember aanmerken. 

[3] Ik bedoel daarmee niet dat alle interactie in de buurt plaatsvindt – zeker niet, mensen werken en recreëren vaak op andere plekken dan ze wonen –, maar ik probeer hiermee slechts het schaalniveau van concrete interacties te duiden. 

Referenties

ANP & NU.nl (2014, 21 maart). Geert Wilders belooft ‘minder Marokkanen’ in Den Haag. Geraadpleegd van https://www.nu.nl/politiek/3730669/geert-wilders-belooft-minder-marokkanen-in-haag.html

Blokland, T. (2009). Oog voor elkaar: veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam, Nederland: Amsterdam University Press.

Bosch, E., Sleutjes, B. & Ouwehand, A. (2012). Stijl van leven, stijl van bouwen: Branding en leefstijlen in gebiedsontwikkeling.

Bovens, M., Dekker, P., & Tiemeijer, W. (2014). Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland. Geraadpleegd van https://www.wrr.nl/publicaties/publicaties/2014/10/30/gescheiden-werelden-een-verkenning-van-sociaal-culturele-tegenstellingen-in-nederland

Coaffee, J. & Lee, P. (2016). Urban Resilience: Planning for Risk, Crisis and Uncertainty. Londen, Verenigd Koninkrijk: Palgrave.

Davoudi, S. (2012) Resilience: A Bridging Concept or a Dead End? Planning Theory & Practice, (13)2, 299–333.

De Cauter, L. (2009). De capsulaire beschaving: Over de stad in het tijdperk van de angst. NAi Uitgevers.

Durkheim, É. (1893). The division of labor in society.

Duyvendak, J. W. (2011). The politics of home : belonging and nostalgia in Western Europe and the United States. Houndmills, Basingstoke, Hampshire; New York: Palgrave Macmillan.

Granovetter, M. (1973). The Strength of Weak Ties. American Journal of Sociology, 79(6), 1360-1380.

Gunderson, L.H. & Holling, C.S. (2002). Panarchy: Understanding Transformations in Human and Natural Systems. Washington, DC, Verenigde Staten: Island Press.

Hajer, M. & Reijndorp, A. (2001). Op zoek naar nieuw publiek domein: analyse en strategie. Rotterdam, Nederland: NAi Uitgevers.

Hall, P. & Lamont, M. (2012). Social Resilience in the Neo-Liberal Era

Hochstenbach, C. & Musterd, S. (2018). Gentrification and the suburbanization of poverty: changing urban geographies through boom and bust periods. Urban Geography, 39(1), 26-53.

Hochstenbach, C.  & Arundel, R. (2019). Spatial housing market polarisation: National and urban dynamics of diverging house values. Trans Inst Br Geogr. 2020, 45, 464–482.

Holling, C.S. (1973). Resilience and stability of ecological systems, Annual Review of Ecological Systems, 4, 1–23.

Korteknie Stuhlmacher Architecten (z.d.). Model van Le Medi. Geraadpleegd van: https://www.ksa.nl/projecten/le-medi

McCann, P. (2013). Modern Urban and Regional Economics (2e ed.). Oxford, Verenigd Koninkrijk: Oxford University Press

Meier, S. (2009). Le Medi: mediterraan gevoel te koop in Rotterdam: over de aantrekkingskracht van gethematiseerde woningbouw voor de nieuwe stedelijke middenklasse. Sociologie, 5(2), 277-299.

Mitchell, D. (2005). The S.U.V. model of citizenship: floating bubbles, buffer zones, and the rise of the ‘purely atomic’ individual.

Putnam, R. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Communities. New York, Verenigde Staten: Simon and Schuster.

Putnam, R. (2007). E Pluribus Unum: Diversity and Community in the Twenty-first Century – The 2006 Johan Skytte Prize Lecture. Scandinavian Political Studies, 30(2), 137-174

Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (2020). Toegang tot de stad: Hoe publieke voorzieningen, wonen en vervoer de sleutel voor burgers vormen. Geraadpleegd van https://www.rli.nl/sites/default/files/toegang_tot_de_stad_
website_def.pdf

Reijndorp, A. (2012). De ‘Rise of the Creative Class’ en het einde van ‘Organization Man’: De veerkracht van de stad.

Reijndorp, A. & Reinders, L. (2010). De alledaagse en de geplande stad: over identiteit, plek en thuis. Amsterdam, Nederland: SUN Trancity

Sennett, R. (2018). Building and Dwelling: Ethics for the City. Allen Lane

Simmel, G. (1903). The metropolis and mental life.

Sociaal en Cultureel Planbureau (2016). De toekomst tegemoet: Leren, werken, zorgen, samenleven en consumeren in het Nederland van later. Geraadpleegd van https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2016/12/21/de-toekomst-tegemoet

Thomas, W. & Znaniecki, F. (1918). The Polish peasant in Europe and America: Monograph of an immigrant group.

Tönnies, F. (1887). Gemeinschaft und gesellschaft.

Van Marrewijk, L. (2016, 29 maart). Leef je eens (een beetje) in. Geraadpleegd van: https://www.ad.nl/economie/leef-je-eens-een-beetje-in~a9fd4187/

Van der Zwaard, J. & Van Giersbergen, M. (2010). Scènes in de Copy Corner: van vluchtige ontmoetingen naar publieke vertrouwdheid. Amsterdam, Nederland: SUN Trancity.

Wacquant, L. (2009). Punishing the Poor: The Neoliberal Government of Social Insecurity. Durham, Verenigde Staten: Duke University Press.

Cover: 'Le Medi Bospolder-Tussendijken Rotterdam' door Google (bron: Google Maps)

Auteur

Dries Zimmerman
Dries Zimmermann

Planoloog bij gemeente Rotterdam

Bekijk alle artikelen