Interview In een samenleving waarin de huishoudens steeds kleiner worden, ligt er voor ontwikkelaars, ontwerpers en gemeenten een maatschappelijke opgave om gebouw- en buurtbewoners samen te brengen. Ontmoeting stimuleren: hoe geven we daar vorm aan in de dagelijkse praktijk – waarin ook tal van andere vraagstukken om de voorrang strijden? Stadsontwikkelaar Christiaan Groeneweg (BPD Bouwfonds Gebiedsontwikkeling) en architect Evert Kolpa (Van Bergen Kolpa Architecten) gaan erover in gesprek. Conclusie: van bovenaf sturen is uit den boze, maar de randvoorwaarden creëren kan zeker wel.
Wat drijft een gebiedsontwikkelaar om zich primair in te zetten voor sociale duurzaamheid, in plaats van zich enkel voor een haalbare businesscase in te zetten? En dan met name na te denken over het functioneren van een gebouw of buurt in sociaal opzicht. Ervan uitgaande dat het technisch allemaal klopt en er aan de basiseisen van ‘schoon’, ‘heel’ en ‘veilig’ in een gebied is voldaan. Christiaan Groeneweg trapt af: “Wij vinden het steeds belangrijker om de maatschappelijke verantwoordelijkheid van onze beroepsgroep te agenderen. Bij dit thema kun je heel breed beginnen maar ook heel dichtbij: het is mijn persoonlijke overtuiging dat het leven niet maakbaar is, wel stuurbaar. We kennen helaas allemaal voorbeelden van gebeurtenissen die ons overkomen, waar we niets aan kunnen doen, zoals ziekte of een wereldwijde crisis. Op andere vlakken hebben we wel invloed en kunnen we sturen, zoals in het vak dat we zelf uitoefenen. Sterker nog, daar moéten we sturen.”
Niet maakbaar
Zo geldt voor gebiedsontwikkeling bijvoorbeeld dat we het menselijk gedrag niet kunnen bepalen van bovenaf, aldus Groeneweg. “Maar we kunnen er wel de randvoorwaarden voor scheppen, op verschillende schaalniveaus. Ook hier geldt echter: het is niet maakbaar. Soms hebben mensen al moeite om het einde van de dag te halen, zij zijn niet bezig met hoe ze de ruimte om zich heen beleven en wie ze daar ontmoeten. En juist daar is het onze taak om zo goed mogelijk te faciliteren, zodat ze een steuntje in de rug krijgen. Nu en in de toekomst.”
Door de transparante pui tussen de woning en de straat ontstaat een gewoonte van zien en gezien worden
Architect Evert Kolpa kan het beamen: “Het ‘sturen’ vind ik in dit verband wel een toepasselijk begrip. Je kunt het niet bij mensen afdwingen, maar ze er wel toe uitnodigen. Beter gezegd: geef de regie aan de bewoners zelf.” Kolpa illustreert zijn stelling aan de hand van enkele recente projecten waarbij zijn bureau betrokken is geweest. Bij co-housing in Rotterdam Hoogvliet bijvoorbeeld, waar bewoners samen wonen rond een hofje en onder meer de fietsenstalling delen – in ‘nabuurschap’. De auto wordt hier bewust niet voor de deur geparkeerd, zodat de bewoners een wandelingetje maken naar de woning: dat kan een ontmoeting met buurtgenoten opleveren – maar het is niet verplicht.
Keuken aan de straat
Bij de herstructurering van de wijk Wielewaal werken Van Bergen Kolpa Architecten en BPD samen om het gebied weer toekomstbestendig te maken. Daarbij gaat het om het bouwen van nieuwe woningen, maar nadrukkelijk ook om een serie maatregelen die beoogt de cohesie in de wijk – die vanouds groot was – te bewaren c.q. opnieuw op te bouwen. Bewoners kunnen hier een ‘aandeel’ in de wijk kopen, zijn contractueel verenigd als het gaat om de openbare ruimte en kunnen elkaar ontmoeten in het centraal gelegen Wielewaalhuis. De gedachte van ontmoeten is zelfs meegenomen in het ontwerp van de woningbouwplattegronden, waar geen halletjes achter de voordeur zijn voorzien maar de keuken over de volle breedte van de gevel aan de straat is gelegd. “Een gewaagde keuze die best wat discussie heeft opgeroepen, maar waarmee de basis wordt gelegd voor gemeenschapszin en contact tussen binnen en buiten.”
Niet in de laatste plaats noemt Kolpa het binnenstedelijke BPD-project Maasbode, in Rotterdam-centrum, waar op tientallen meters hoogte in het gebouw binnenstraten zijn gemaakt, waar gezinswoningen aan zijn gesitueerd, een doelgroep die de gemeente graag aan de stad wil binden. “We hebben een heel gemiddeld Nederlands straatje genomen van pakweg 15 woningen, op dat schaalniveau kennen mensen nog elkaars buren, weten we uit de stadssociologie. Van die straat hebben we net zo lang de maatvoering geoptimaliseerd – drielaags, zes meter breed, met aan twee kanten daglicht – tot er een binnenstraat is ontstaan die de bewoners beschouwen als hún collectieve straat, waar ze met elkaar aan willen wonen.” Door de transparante pui tussen de woning en de straat ontstaat een gewoonte van zien en gezien worden, zoals in een normale straat. En dat maakt dat mensen elkaar leren kennen en de anonimiteit wordt opgeheven.
Ingehaald door de tijd
Het zijn inspirerende voorbeelden waarvan we zouden kunnen zeggen: waarom worden die niet veel breder in de Nederlandse bouwpraktijk toegepast? Groeneweg antwoordt: “Uiteindelijk is het de vraag wanneer we als ontwikkelaar tevreden zijn met een buurt of gebouw. Is dat als we alle partijen mee hebben en alle potentiële bezwaren hebben weten te voorkomen? Of gaat het om meer? Als ik door een Rotterdamse naoorlogse wijk als Schiebroek loop, waar we samen met woningcorporatie Havensteder aan werken, zie je hoe de tijd ons inhaalt. Een dichte plint met bergingen en garages en aan de andere kant een keurig gemaaid gazon met een fleurig bloemenperkje: dat is nu niet meer genoeg. Er is namelijk niemand te zien op straat, de openbare ruimte wordt niet gebruikt en ook de gebouwen zelf zijn vanuit veiligheidsoogpunt beschermd.”
De groeiende polarisatie domineert wereldwijd het nieuws de afgelopen jaren, zo constateert de stadsontwikkelaar van BPD. “Daar doe je als ontwikkelaar weinig aan. Dan komt de vraag: wat kunnen wij wél en méér doen? Daarom willen wij als gebiedsontwikkelaar zélf de lat hoger leggen. We sturen actief op dat ook de zachte en meer onzichtbare waarden – zoals ontmoeting en verbinding – in een gebied een plek krijgen. Die discussie moet tot in de directiekamer met elkaar gevoerd worden, hoe we de vastgoedlogica en de maatschappelijke logica combineren.”

Evert Kolpa (links) en Christiaan Groeneweg in een van de binnenstraten van woongebouw De Maasbode.
‘Bouwplaats Maasbode’ door Reinier Bergsma (bron: BPD)
Het vormgeven aan ontmoeting begint dan toch bij de uitvraag voor een nieuwe ontwikkeling, zo geeft Evert Kolpa aan: “De kwaliteit van wonen, daar gaat het om. En die zit hem in tal van aspecten. Waarom is dit een fijne straat om aan te wonen, waarom is dit een fijn gebouw om in te wonen, waarom is dit een fijne gang om aan te wonen? en waarom is dit een fijne woning om in te wonen? Je ziet nog vaak genoeg plattegronden van woongebouwen met alleen maar kleine appartementen zonder collectieve voorzieningen. Ik zie zo’n plan langskomen (als lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van Rotterdam, red.) en denk dan: wil ik er zelf wonen? Zou mijn zoon er willen wonen? Zo’n gebouw kent een groot percentage vereenzaming en dat krijg je ook van woningcorporaties terug.”
Extremen in het land
Maar het gaat volgens de architect ook om de voorzieningen in een gebied: “Waar komt de scouting? Waar komt het buurthuis? Vaak als ik het programma van eisen voor een nieuwe buurt lees, ontbreken juist die elementen. Maar die zijn wel heel bepalend voor de sociale structuur.” En net als Groeneweg ziet hij de urgentie daarvan: “Ik begin de dag vaak met een kop koffie in het café. Dan zie ik de kranten naast elkaar liggen. Hetzelfde onderwerp wordt belicht, maar De Telegraaf doet dat op een heel andere manier dan NRC. De extremen liggen in dit land zo ver uit elkaar, alsof we in verschillende werelden leven. En dat zie je ook terug in het politieke debat.”
Beiden signaleren een ontwikkeling in het vak die zich richt op het ontwikkelen van sociaal duurzame projecten
Volgens Kolpa is het evenwel zaak om ons hier niet te veel in mee te laten slepen: “Niemand weet of de polarisatie een blijvend iets is. En laten we ook wel wezen, niet iedereen heeft op elke leeftijd evenveel behoefte aan ontmoeting. Mijn kinderen studeren in Delft en hoeven nu echt niet te weten wie er precies naast hen woont. Maar voor gezinnen is dat wel heel belangrijk. Het is dus aan ons als architecten om ontwerpen te maken voor een stad die lang mee kunnen gaan en waar verschillende doelgroepen zich senang in voelen. Hoe je het wendt of keert, de mens is een sociaal dier. Per plek vraagt dat om een passend antwoord.” Kolpa pleit er daarom voor iedere gebiedsontwikkeling een gebalanceerd ‘sociaal duurzaamheidsprogramma’ mee te geven. Daarin staan de voorzieningen op buurtniveau beschreven, tot en met het collectieve programma in de woongebouwen en de slimme gebouwtypologieën die hier een antwoord op bieden. “Aan de voorkant van het proces moeten we hier het gesprek met elkaar voeren. Wie gaat hier wonen en hoe geven we het wonen vorm? Dan komt de architectuur vanzelf.”
Meer verbinding
De slotconclusie is een positieve: de ontwikkelaar en de ontwerper signaleren beiden een ontwikkeling in het vak die zich richt op het ontwikkelen van sociaal duurzame projecten. Groeneweg: “Ik zie steeds meer signalen die erop duiden dat we sociale duurzaamheid – en daarmee ook het ontmoeten van anderen, hoe vluchtig ook – meer gaan verbinden met gebiedsontwikkeling. Of het nu uit onze eigen maatschappelijke drive komt of omdat investeerders hechten aan ESG-proof projecten: het komt eraan. En dat is hoopvol.” Kolpa deelt in dat optimisme: “Wanneer we in een initiatiefase een goed plan neerleggen dat de sociale duurzaamheid goed borgt, dan kan een gemeente daarin ook veel gemakkelijker meegaan. Plannen die zich niet afsluiten voor de omgeving maar die juist inzetten op verbinding en wederkerigheid, daar is het draagvlak direct veel groter voor. Wat vervolgens ook de ontwikkeling weer ten goede komt.”
Impressie van De Maasbode, met een toelichting van gemeentelijk gebiedsontwikkelaar Jan van de Ree.
Cover: ‘Christiaan Groeneweg en Evert Kolpa’ door Reinier Bergsma (bron: BPD)








