Boekrecensie
20170624_155658.jpg

De ontwerper als verbinder

Door Gerben Helleman

27 nov 2017 - De rollen en taken van diverse actoren bij stedelijke vraagstukken zijn de afgelopen periode aan verandering onderhevig geweest. Vooral de ontwerper lijkt in deze tijd van 'organische gebiedsontwikkeling' er bekaaid vanaf te komen. In het nieuwe boek 'Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen' laten diverse hogescholen echter zien dat de ontwerper door middel van ontwerpend onderzoek een belangrijke rol kan spelen.

Wie gaat de stad vormgeven? Een vraag die vaker op dit blog aan de orde is gekomen. Hoewel het antwoord op die vraag per decennium anders wordt ingevuld, hebben we een aantal jaren geleden een belangrijke verschuiving gezien. De grootschalige, projectmatige werkwijze van de klassieke gebiedsontwikkeling past niet meer bij de huidige tijd. De aandacht zou zich moeten richten op een meer organische aanpak van onderop waarbij de (potentiële) kwaliteiten van een gebied worden benut door slimme verbindingen te leggen met de huidige gebruikers. Plannen en visies zijn daarbij nog wel welkom, maar niet als blauwdruk maar als middel om te inspireren en de mogelijkheden te verbeelden.

En de ontwerper dan?
Hoewel dit gedachtegoed alweer onder druk staat in de steden met een tekort aan woningen, zien we wel dat ontwerpers (architecten, stedenbouwers, landschapsarchitecten) mede door deze verschuiving structureel op zoek zijn gegaan naar een nieuwe rol in het stedelijke speelveld. Op zoek naar nieuw vakmanschap. Daarbij steeds meer afstand nemend van de solistische ontwerper die aan de hand van iconische gebouwen, ‘grand designs’ en vastomlijnde structuurvisies de gebruiker een bepaald ideaal wil opleggen (de geplande stad). Naar een meer iteratieve werkwijze die rekening houdt met de ongrijpbaarheid van stedelijke vraagstukken en de dagelijkse werkelijkheid. Waar juist de beleving van de eindgebruiker centraal staat en men meebeweegt met de vele verschillende en continu veranderende wensen en belangen (de geleefde stad). 
Rachel Kallus (2001), universitair hoofddocent op de faculteit van architectuur en stedenbouw van de universiteit van Israel omschrijft dat spanningsveld tussen de geplande en geleefde stad als volgt: “Urban designers, perceiving the city mainly as a morphological phenomenon, are primarily concerned with the sensory, and particularly with the visual, qualities of urban space. This view of the city as a spatial physical structure requires abstraction, to enable comprehension of the complexity and continuity of the urban space, its transparency and its indeterminacy. However, this abstraction often fails to take into account the properties of the city as a place of habitation, ignoring the sociocultural specificity of its different users […] In order to be truly innovative, urban design must consider space as habitable territory in which life-supporting activities take place. This view of the urban space means that its essence is more than a still-life volumetric entity.”

Een ander vaatje
Er zijn verschillende manieren om als ontwerper met deze verschuivingen om te gaan. Zo zijn er bijvoorbeeld bureaus die meer als publiek ontwikkelaar zijn gaan optreden. Maar bovenal zie je dat de ontwerper probeert om aan andere tafels aan te schuiven door het inhoudelijke speelveld te verbreden (naast ruimtelijke eenheden ook zaken als water-, afval-, energie- en voedselstromen). Daarnaast probeert de ontwerper eerder aan tafel te schuiven (naast de ontwerpfase ook de ideeënfase). Door te werken met denk-beelden (i.p.v. kant-en-klaar ontwerpen) laat de ontwerper ook aan het begin van een proces zijn meerwaarde zien. De ontwerper is daarmee veel minder een artistiek ingenieur en veel meer een onderzoeker.

Het lectoraat ‘Future Urban Regions‘ (FUR) dat verbonden is aan de Academies van Bouwkunst in Amsterdam, Arnhem, Groningen, Maastricht, Rotterdam en Tilburg, heeft de afgelopen drie jaar in 18 ontwerpateliers onderzoek gedaan naar deze nieuwe rol van de ontwerper. Ze heeft haar (en andere) ervaringen gebundeld in het schitterend vormgegeven boek ‘Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen; ontwerpend onderzoek voor de toekomst van stedelijke regio’s‘. Aan de hand van een driedeling beschrijft ze de meerwaarde van ontwerpend onderzoek: 
  • Wat: zes stedelijke vraagstukken (‘wicked problems’)
  • Hoe: de methoden en technieken voor ontwerpend onderzoek
  • Wie: de samenwerking met diverse disciplines en stakeholders
Ontwerpend onderzoek
Voorheen ging de ontwerper pas aan de slag als er een heldere vraagstelling van een opdrachtgever was. De huidige stedelijke vraagstukken zijn echter vaak diffuus en onzeker waardoor er vaak geen opdrachtgever is, laat staan een programma van eisen. Dat vraagt een andere werkwijze van de ontwerper. Een die eerder ondersteunend, onderbouwend en onderzoekend is, dan oplossend, doelgericht of uitvoeringsgericht. Ontwerpend onderzoek is een manier om die stedelijke vraagstukken te analyseren en oplossingen te verkennen. “Ontwerpend onderzoek is geen solitaire, lineaire bezigheid waarbij de ontwerper zijn briljante vondsten over de schutting gooit, maar een interactief proces met tal van betrokkenen“. Het ontwerp wordt daarbij ingezet om te bevragen en te onderzoeken. Ontwerpend onderzoek is volgens de auteurs een goede manier om te inspireren, om te verrassen, om kansen te identificeren, om anekdotes op te sporen, om besluitvorming te voeden, om partijen te verbinden en om te onderzoeken wat er allemaal mogelijk is. Ontwerpers kunnen met behulp van hun kennis en vaardigheden de toekomst verbeelden en daarmee mensen mobiliseren en mensen laten zien - via ‘back casting’ - wat dan vandaag de dag moet gebeuren. Aldus het boek.
Thematische verbreding (‘wat’)
De bronnen van moeder aarde zijn eindig. De ruimtelijke opgaven concentreren zich daardoor niet alleen meer op het wonen, werken en recreëren, maar ook op de vraag hoe we omgaan met de beperkte voorraden grondstoffen, materialen en energie. De auteurs van het boek laten zien (en doen een pleidooi) om juist als ontwerpers een rol te gaan spelen in het realiseren van wat zij noemen de ‘gezonde stedelijkheid’. Het bijvoeglijke naamwoord zet je als lezer misschien even op het verkeerde been, maar de onderverdeling in een zestal thema’s geeft meer houvast:
  • Veerkrachtige infrastructuur
  • Duurzame energie
  • Materialencyclus
  • Vitale economie
  • Gezond leven 
  • Sociaal-culturele verbondenheid
Het zijn “thema’s die“, zoals journalist Guido van Eijck dat zo mooi omschrijft in het boek, “te groot zijn om meteen naar de tekentafel te nemen, maar te prangend om alleen aan de vergadertafel te bespreken“. Hoewel deze onderverdeling enigszins arbitrair en gekunsteld is en het ene thema beter wordt uitgewerkt dan het andere, passeren wel alle trends en begrippen van dit moment de revue: energietransitie, circulaire economie, ‘cradle to cradle’, metabolisme, hittestress, ‘reuse-reduce-recycle’, sociaal inclusief, diversiteit, extramuralisatie, ‘smart cities’ en ‘urban farming’. Vaak zijn dit holle begrippen, maar in het boek krijgen ze handen en voeten doordat ieder thema - naast een inhoudelijke beschrijving - wordt geïllustreerd aan de hand van (inter)nationale praktijkvoorbeelden, zoals:
Verhalen die eerder zijn verteld, maar hier mooi en bondig zijn samengevat in zeer leesbare projectbeschrijvingen.

Daarnaast gaan de thema’s meer leven door de ontwerpvoorstellen van de hogescholen in verschillende Nederlandse steden. Met daarbij verrassende suggesties voor hedendaagse vraagstukken, zoals bijvoorbeeld:

Procesmatige verbreding (‘hoe’)
De complexiteit van veel stedelijke vraagstukken is groot. Dat vraagt geduld, reflectie en doorzettingsvermogen. Ontwerpers zullen dus - zeker vroeg in het proces - moeten leren om niet meteen in oplossingen te denken: “Zeker bij strategische vraagstukken is het beste antwoord vaak een aangescherpte vraag“. Ontwerpend onderzoek ontwikkeld zich dan ook van abstract naar concreet en convergeert van breed naar smal. 
Daar horen ook andere methoden en technieken bij. Klassieke middelen als masterplannen, werktekeningen en detailtekeningen worden bij ontwerpend onderzoek ingeruild voor storytelling, animaties, mapping, performances en scenarioplanning. Methoden die niet in het boek verder worden uitgewerkt, maar waarvan de lezer maar even moet aannemen dat dit methoden zijn die op een verfrissende manier de oplossingsrichtingen voor een vraagstuk kunnen weergeven. Zodat de betrokken partijen de mogelijke richtingen kunnen zien en begrijpen. Wat zorgt voor verbinding en stof tot gesprek voor verdere verdieping. 

Bij het driejarige traject van FUR zijn drie procesmodellen getest voor ontwerpend onderzoek: de C3-kubus, het DTP-diagram en het ICCI-model. Hoewel getracht is om de modellen uit te werken in overzichtelijke afbeeldingen, wordt het boek hier net iets te technocratisch en theoretisch. Misschien nuttig voor studenten, maar minder voor de neutrale lezer. Dat komt mede doordat de relatie tussen de gehanteerde modellen en de uitgeschreven praktijkvoorbeelden minder sterk is dan in de andere delen van het boek.

Multidisciplinaire samenwerking (‘wie’)
Naast de inhoudelijke en procesmatige verbreding zal de ontwerper ook steeds meer moeten gaan werken met andere partijen. Zowel met vakspecialisten uit andere disciplines als met een groot aantal stakeholders op nationaal, regionaal en stedelijk niveau. De individuele inspanning maakt - aldus de auteurs - plaats voor een collectieve aanpak. Het gaat om de welbekende ‘co-creatie’ in een open en interactief proces waarbij vaak nog onduidelijk is wie verantwoordelijk is en waar de kosten en baten thuishoren. In dat bonte gezelschap van actoren - die komen en gaan - kan de ontwerper een stabiele factor zijn. Een makelaar, een verbinder, een gids. De auteurs omschrijven dat als volgt: “Het doel van ontwerpend onderzoek is om een groep actoren en stakeholders te begeleiden van een strategie tot aan een product, door hun houding ten opzichte van het idee te veranderen: van neutraal, naar belangstellend, betrokken, investerend en ten slotte realiserend.” Hoewel dat laatste (‘realisatie’) van een naar opdrachthunkerende ontwerper best te begrijpen is, zou het doel van ontwerpend onderzoek niet moeten zijn om aan het eind van de rit een opdracht binnen te slepen voor het ontwerpen van een bepaald object. Uit onderzoek kan immers prima blijken dat er (op dit moment) voor een andere oplossing wordt gekozen. Of dat niets doen een betere optie is. In het boek wordt het Franse architectenbureau Lacaton & Vassal aangehaald die al onderzoekend tot de conclusie kwam dat het Place Léon Aucoc in Bordeaux geen herinrichting nodig had. Doe niets nieuws was hun plan, maar gebruik het ontwerpbudget voor onderhoud. Verfrissend.  

Tot slot
Het boek is gelukkig niet louter een loftrompet voor ontwerp en ontwerpers zoals het voorwoord mogelijk doet vermoeden. De ontwerper krijgt wel een groot aantal competenties toegewezen, maar aan de andere kant wordt ook opgemerkt dat een ontwerper geen onderzoeker, procesmanager, financieel deskundige of jurist is. Het boek is dus redelijk genuanceerd en laat ook de beperkingen zien. Mede omdat de beschreven projecten niet zijn uitgekozen uit een grote lijst van ‘best practices’, maar vraagstukken zijn waar de studenten en docenten van de verschillende hogescholen aan hebben gewerkt. Daardoor krijg je meer rijp en groen voorgeschoteld dan in veel andere boeken. Knap is dat het vervolgens niet doorslaat naar de andere kant. Het is geen boek dat slechts een overzicht toont van afstudeerprojecten van studenten. De voorbeelden zijn ondersteunend aan het grotere verhaal rondom ontwerpend onderzoek en niet andersom. 
Ontwerpend onderzoek is dus niet de heilige graal en de ontwerper niet het schaap met vijf poten, maar het boek laat wel zien dan de ontwerper op veel vlakken een grotere rol kan spelen. Groter dan de lezer vooraf had gedacht.


(c) Foto’s ‘Benthemplein in Rotterdam’ door Gerben Helleman

 
Gerben Helleman is stadsgeograaf en schrijft regelmatig op persoonlijke titel in diverse media over stedelijke vraagstukken. Vorig jaar verscheen van zijn hand de publicatie ‘Op zoek naar nieuwe verhoudingen: over de veranderende relatie tussen de geplande en geleefde stad’ in opdracht van het Lectoraat Grootstedelijke Ontwikkeling van de Haagse Hogeschool. Dit artikel verscheen al eerder op zijn blog Stadslente.

Auteur:

Gerben Helleman
Gerben Helleman

Zelfstandig publicist/onderzoeker, Coördinator Platform Stad en Wijk, Senior beleidsmedewerker

Recente artikelen