Analyse BPD | Bouwfonds Gebiedsontwikkeling benoemde vier jaar geleden het landschappelijk ontwikkelen als een kans om bedrijfsambities waar te maken op het gebied van natuur, landschap en klimaat. Daarmee wil BPD het landschappelijk ontwikkelen verankeren in de visie- en planontwikkeling. Nu dat jaartal is bereikt, blikken Esther Agricola (regiodirecteur BPD Noord-West) en Patrick van der Klooster (directeur Kennis & Innovatie) terug en beantwoorden zij de vraag of landschappelijk ontwikkelen het nieuwe normaal wordt voor de gebiedsontwikkelaar. “Op systeemniveau een interventie plegen die het systeem als geheel verder brengt.”
Gevraagd naar de argumentatie om als gebiedsontwikkelaar het onderwerp ‘landschap’ beet te pakken, gaat Esther Agricola terug in de tijd: “Toen we de meerjarenstrategie voor de periode 2022-2026 opstelden, was landschap een van de veel gebezigde woorden, naast bijvoorbeeld biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Niet veel later zou ook ‘water en bodem sturend’ eraan worden toegevoegd. Wij zijn er toen in gaan duiken; wat betekent dat ‘landschappelijk ontwikkelen’ nou eigenlijk? Het is veel meer dan het eendimensionale ‘wonen in het landschap,’ zoveel was ons al snel duidelijk.”
In plaats van het landschap louter zien als een groene en blauwe invulling naast de woonfunctie werd veel meer de relatie met een breed duurzaamheidsbegrip gelegd, zo legt Agricola uit: “Als je kijkt naar het vastgoed, de opstallen, dan hebben we het technische deel van duurzaamheid prima in de vingers gekregen. Maar op het schaalniveau van de stedenbouwkundige plannen, daar is nog veel te doen. Daaronder bevindt zich de hele systeemwereld van het water en de bodem. En die is veel complexer omdat deze systemen zich niet storen aan de grenzen van onze plots.”
Kennis bundelen
De ambitie om als gebiedsontwikkelaar een andere verhouding te zoeken tot de grotere landschappelijke onderleggers is één, maar daarop volgt de vraag: hoe die doelstelling dan concreet in te vullen? Patrick van der Klooster: “Onderzoek doen naar een nieuwe praktijk en een nieuw handelingsperspectief betekende in dit geval ook bundelen. Oftewel: wat gaat er al goed en waar is nog extra inzet op nodig? Welke nieuwe werkwijzen bieden zich aan? Dat hebben we nadrukkelijk in de organisatie zelf opgehaald bij de ontwikkelaars en andere disciplines die met concrete plannen bezig zijn – in plaats van het thema in een bijkans laboratoriumachtige setting verder te verkennen. We hebben een aantal uiteenlopende BPD-projecten als ‘sleutelprojecten’ benoemd en zijn die gaan volgen over langere tijd. Daarbij hebben we ook zogenaamde visiekamers georganiseerd, waarbij we de collega’s vroegen hun eigen plannen te presenteren en tegen het licht te houden. Anderen reageerden daar vervolgens op; een ecoloog, een landschapsontwerper. Niet om de plannen te keuren, maar wel om te ontdekken: wat maakt een systeeminterventie voor jou nou landschappelijk? En zo hebben we wel langzamerhand meer grip gekregen op de lading van ‘landschappelijk ontwikkelen’.”
Er is snel de neiging landschappelijk ontwikkelen als een containerbegrip te zien
Van der Klooster pretendeert niet dat BPD nu inmiddels een sluitende definitie te pakken heeft, maar kan wel een aantal kernelementen benoemen. Zo vormen de groenblauwe structuren en de bovengenoemde systemen van water en bodem een belangrijk onderdeel. “Maar het zit hem ook in biodiversiteit, in over de plangrenzen heen kijken en vooral: op systeemniveau een interventie plegen die het systeem als geheel verder brengt. Het kan dus ook om een productielandschap gaan of om en energielandschap. En het ‘landschappelijk ontwikkelen’ kan daarmee op allerlei plekken in Nederland gestalte krijgen, in die grote rijkdom en variatie aan landschappen die we kennen in ons land. Het is denk ik goed dat we die breedte maar ook die scherpte hebben opgezocht en elkaar steeds bevroegen bij ieder project: staat de daarbij gehanteerde werkwijze nu echt voor landschappelijk ontwikkelen? En waar gaat het dan heel concreet om? Want er is ook snel de neiging landschappelijk ontwikkelen als een containerbegrip te zien waar van alles onder wordt geschaard. Dan ben je na het derde project alweer vergeten waar het nu werkelijk over gaat.”
Andere partijen
Terugkomend op de toepasbaarheid van het werken met deze aanpak geeft Agricola aan dat het landschappelijk ontwikkelen zelfs op stedelijke plekken van toepassing kan zijn: “Het hoeft niet per se om bosrijke plekken te gaan bijvoorbeeld, of om polders. In essentie gaat landschappelijk ontwikkelen om het maken van toekomstbestendige omgevingen. En om die ambitie te realiseren, krijgen we ook met andere partijen te maken: waterschappen, natuurbeheerders, provincies. Partijen met wie we belangen delen, maar ook van verschillen. Als ik naar mijn eigen werkgebied in Noord-Holland kijk, dan wordt daar bijvoorbeeld enorm geworsteld door de waterschappen met de gevolgen van de klimaatverandering en hoe ze vervolgens het hele watersysteem op orde kunnen houden.”

‘Patrick van der Klooster’ (bron: BPD)

‘Esther Agricola’ (bron: BPD)
“De beleidsideeën van de waterschappen staan dan vervolgens voor een deel haaks op wat wij dachten te gaan doen in gebieden; als wij onze kaart met mogelijke woningbouwlocaties naast die van hen leggen, dan zie je dat er voor de waterbeheerders inmiddels echte no go areas zijn ontstaan. Die eigen kijk op de toekomst van de ruimtelijke inrichting in Nederland geldt bijvoorbeeld ook voor verzekeraars, die weer met een heel eigen bril naar de kaart van een gebied kijken. Daarvan zeggen wij: laten we eerst kijken of we daar samen iets kunnen doen waar we beide tevreden over zijn. Kunnen we functies bijvoorbeeld op een innovatieve manier toch combineren? En dan heb je een ander soort gesprek. En die dialoog is heel erg leuk, want we merken dan aan beide kanten dat we elkaar niet per se in de weg hoeven te zitten.”
“We hebben zelfs onlangs in een sessie geïnitieerd door de Commissie MER (de onafhankelijke commissie die rapporteert over de milieueffecten van een voorgenomen project, red.) gesproken over hoe zij zich in het proces van gebiedsontwikkeling bevinden. Wij doen dat meestal in een lineair proces waarin eerst de ontwerpers aan de slag gaan en de commissie dan toetst, maar met die commissie kwamen we eigenlijk ook tot de conclusie hoe aardig het zou zijn als we de volgorde ook zouden omdraaien. Dat je het veel meer met elkaar gaat doen: zet die commissieleden die heel veel weten van milieueffecten direct met de ontwikkelaars en de ontwerpers aan tafel.”
Functies verbinden
Deze houding in relatie tot een andere en vroegere samenwerking heeft er bijvoorbeeld bij een woningbouwproject aan de rand van Volendam toe geleid dat waterschap en BPD samen “aan het puzzelen zijn gegaan,” aldus Agricola: “Bij het plan voor De Lange Weeren wordt er naast woningbouw een invulling gegeven aan de wateropgave, die breed speelt in de gemeente. In afstemming met het Hoogheemraadschap hebben we onderzocht hoe we beide functies slim kunnen verbinden. We willen in het gebied een ruime groenblauwe bufferzone maken, die tevens dient als waterberging. Zo ontlasten we het centrum van Volendam, waar juist te veel water aanwezig is. Kortom: hier worden niet alleen de bewoners van de nieuwbouwwijk beter van maar ook de bewoners in de omgeving. We lossen meerdere vraagstukken met elkaar in één keer op.”
Er is het besef dat landschappelijk ontwikkelen een vanzelfsprekend onderdeel moet zijn van elke BPD-gebiedsontwikkeling
Dit is een goed voorbeeld van hoe een interventie op een systeem, het gehele systeem verder brengt. Het bewust wisselen van perspectief helpt daarbij zeker, zo vult Van der Klooster aan: “Neem de oostrand van Purmerend waar we bezig zijn met een nieuw woonlandschap; als je daar maar even 100 of 200 meter boven de grond gaat hangen, dan zie je in een oogopslag de Noordzeekust, het IJsselmeer en het Markermeer. Al die landschappen blijken onderling verbonden, dan is het al lang niet meer een uitbreidingswijk in een polder maar een plek in een serie van landschappen en steden. Mijn hoop is dan dat wanneer hier een gebiedsontwikkeling gestalte krijgt, in deze droogmakerij, deze er echt anders uitziet of anders beleefd wordt of anders functioneert dan op een hooggelegen zandlandschap. Het gaat om anders kijken: stap naar voren, naar achteren, naar boven, naar beneden. Dan ziet het er anders uit en ga je anders handelen.”
Traag vak
Met de geleerde lessen in de bagage is nu de vraag: hoe nu verder? Agricola: “De lessen gaan we uiteraard toepassen, maar bovenal is er nu de bewustwording ontstaan dat landschappelijk ontwikkelen een vanzelfsprekend onderdeel moet zijn van elke BPD-gebiedsontwikkeling. Met principes die je altijd moet toepassen.” Van der Klooster: “Is het een methode, een opvatting of zelfs een ethiek? Laten we niet vergeten, we hebben een traag vak. Ook op dit gebied zijn we elke dag nog nieuwe dingen aan het ontdekken, wat we beter kunnen doen. Ik verwacht dat landschappelijk ontwikkelen in die zin – met het denken op systeemniveau – zijn plek steeds meer gaat vinden de komende tijd; binnen het vakgebied en binnen BPD. Het begrip leent zich weliswaar minder voor harde cijfermatige indicatoren zoals bij ‘betaalbaar wonen’ maar we vragen er nu in de interne besluitvorming rondom onze projecten wel steevast naar. Onze ontwikkelaars moeten hun projecten daar op positioneren: zit het vooral op techniek of ook bijvoorbeeld op het gebruik van de landschappen en het toewijzen van uiteenlopende functies daaraan?”
Agricola vult aan: “Met als belangrijke vraag daarbij ook: kun je een landschap ‘waardegevend’ maken? En bij wie en wanneer slaat die waarde dan neer? Dat betekent nog wel stevig nadenken; naast een grondexploitatie moet je eigenlijk ook een landschapsexploitatie hebben, een LEX. Wie zijn daarin de ‘baathebbers’? En hoe kunnen we allerlei uiteenlopende geldstromen bundelen?” Bij een dergelijke benadering past volgens Agricola een brede scope, die over de bovengenoemde grens van de eigen kavel heen gaat: “Ik vind de aanpak van het programma Groen Groeit Mee in de provincie Utrecht interessant. Gedeputeerde Mirjam Sterk heeft dat programma destijds neergezet, vanuit de constatering dat eigenlijk alles wat je in het rood doet, door evenveel groen gecompenseerd moet worden. Omdat ze merkten in Utrecht dat de groene ontwikkeling de rode ontwikkeling anders gewoon niet kan bijhouden – en dan toch het onderspit delft.”
“In dat verband denk ik soms aan een nieuwe ruilverkaveling’: dat je niet alles overal hoeft te doen maar ook gebieden kunt uitruilen bijvoorbeeld. Wij hebben bijvoorbeeld in Schalkwijk het project De Tuinen van BPD, dat zijn zogenaamde wachtgronden die nu nog niet bebouwd worden maar zich in de tijdelijkheid wel voor andere functies lenen. Er zit nu een pachter, Schevichoven, die daar interessante gewassen teelt. Ik kan me die aanpak op veel meer plekken voorstellen. Dat we samen met Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en het waterschap om tafel gaan en zeggen: wie zit waar en wie zit waar in de weg? Kunnen we elkaar helpen door misschien dingen te doen die gunstig uitpakken voor het héle gebied? Soms als je te veel op je eigen kleine plotje blijft denken, kom je niet bij de oplossingen.”
Voorzichtige beweging
Bij dergelijke partijen uit de wereld van natuur, water en bodem bespeurt Van der Klooster dat de transitie naar een dergelijke werkwijze (met een bredere scope) ook al volop gaande is: “Het is een voorzichtige beweging maar hij is wel degelijk gaande. Bij waterschappen worden nu bijvoorbeeld ook landschapsontwerpers aangesteld. We zijn allemaal aan het zoeken hoe we dat integrale werken invulling kunnen geven. Iedereen wordt zich steeds meer bewust van de noodzaak om ook nieuwe verbanden en nieuwe partners te vinden. En dat speelt zeker bij de vraagstukken die nu neerslaan in het landschap; door dat samen op te pakken komen de oplossingen inderdaad dichterbij.”
Cover: ‘Oostflank Purmerend’ (bron: BPD)








