platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Verslag

De wijk als energie opwekker

De wijk als energie opwekker

Praktijkcongres 2016 sessie B

Verslag Deelsessie B - Praktijkcongres 2016

11 nov 2016 - Hoe gaan we bij nieuwbouw en (her-)ontwikkeling om met duurzame energie? Wat betekent het voor het gebiedsontwikkelingsproces, de rollen, het ruimtelijke en financiële plaatje? Netbeheerders, gebiedseigenaren, aanbieders en gebruikers vinden elkaar in een duurzaam exploitatiemodel. Energieke publiekprivate samenwerking: praktijkvoorbeelden van verschillende schaal.

Nienke Maas, Senior adviseur gebiedsontwikkeling, TNO

De energietransitie komt voort uit veranderingen van het klimaat. We willen de temperatuurstijging beperkt houden. Wat moeten we doen om dit te realiseren? Bij de evaluatie van het energieakkoord kwamen een aantal interessante conclusies naar voren. De productie van duurzame energie groeit gestaag. Echter, kijkende naar energieverbruik en -besparing realiseren we nog geen 10% van wat we hebben afgesproken. De relevantie van energie voor de gebiedsontwikkeling wordt duidelijk als we naar de cijfers kijken: 1/3 van het energieverbruik gaat naar de gebouwde omgeving en 1/4 naar verkeer.

Een duidelijke ontwikkeling die we zien, is die van de huidige centrale versus de toekomstige decentrale energieopwekking. Van fossiel naar duurzaam, van één naar twee richting, van consument naar ‘prosument’ en van een paar grote aanbieders naar veel kleine aanbieders. Kijkende naar de trias energetica horen andere oplossingen bij de systemen, waarvan besparing in de toekomst een belangrijke factor speelt. Bij een decentrale energieopwekking horen allerlei technologieën, die voor die energiefuncties ook de invulling bepalen. Te denken valt aan: verwarming en koeling (isolatie, zonthermisch, warmtepomp, restwarmte, biogas, geothermie), warm water (warmtepomp, zonneboiler), elektriciteitsverbruik (zon PV, windmolens) en opslag (WKO, batterij in elektrische auto). De transitie van centrale naar decentrale energieopwekking verloopt nog niet probleemloos. We signaleren vier dilemma’s en geven oplossingen hoe hiermee om te gaan.

1. Ontbreken van gedeelde sense of urgency

De olieprijs is al sinds jaren niet zo laag, dus de businesscase komt steeds lastiger uit. Daarbij is het energienetwerk in Nederland heel goed, één van de beste ter wereld. Dus we hebben nog niet gemerkt, dat de elektriciteit het niet deed, maar de netbeheerders doen op de achtergrond heel erg hun best om dit netwerk stabiel te houden. Het plaatsen van alle windmolens via de Rijkscoördinatieregeling viel slecht: hoe geef je regio’s weer meer zeggenschap over de energietransitie? De oplossing hiervoor kan gevonden worden in het opstellen van Regionale Energie Strategieën. Zo ondertekenden in juni 2016 vijf regio’s en twee voorloperregio’s de Regionale Energie Strategieën van een lokaal warmteplan naar een regionaal energieplan. Er bevinden zich bijna 200 gemeenten in dit lerende netwerk.

2. Domeinen van energie en ruimte zijn nog onvoldoende verbonden

Dit thema kenmerkt zich door twee problemen. De eerste is, dat verschillende energie opwekkers een andere ruimtevraag kennen. De mogelijkheden voor geothermieputten in Zuid-Holland of van windenergieopties in Flevoland kunnen geografisch weergegeven worden. Maar bij een gesprek over de energietransitie of bij de regionale energiestrategieën komen de ruimtelijk denkende types nauwelijks aan tafel. En dit terwijl inzicht in ruimte en energie en de relatie daartussen heel belangrijk is. De nationale energieatlas geeft potentiekaarten. PICO bouwt voort op die data en geeft ook weer, als een soort gebiedsatlas, wat de mogelijkheden zijn. De Omgevingswet zal met een duidelijke bouwsteen voor energie ook meer helderheid creëren.

Afbeelding-1_sessie_B.jpg

Het tweede probleem, dat zich voordoet, is dat kennisuitwisseling en samenwerking tussen de bouwsector en energiebedrijven nog onvoldoende tot stand komt. Hoe kun je een slimme meter koppelen aan energiebesparingsmaatregelen? Daarnaast is het onderwijs nog teveel opgedeeld in traditionele elektriciteit-, warmte- en bouwafdelingen; er is geen opleiding waar integrale concepten worden onderwezen. Er is behoefte aan gekwalificeerd personeel om integrale energieconcepten toe te passen.

3. Investeringen en opbrengsten zijn niet in één hand

De huidige investeringen die gedaan moeten worden en de mensen die van de opbrengsten profiteren, zijn verschillende actoren. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat 1+1=3 wordt? Wat betekent dat voor het gebiedsontwikkelingsproces? Wie moeten meedoen? Sowieso moeten alle stakeholders meedoen, anders lukt het niet. Als de gasnetwerken vervangen gaan worden, moeten de netwerkbedrijven dit betalen. Als gasleidingen niet meer vervangen worden, dan houden de netwerkbedrijven op hun vervangingsinvesteringen van gas veel over. Echter, de vastgoedeigenaren moeten dan wel investeren in de woningen. Hierbij valt te denken aan lage temperatuur warmtesysteem, zware isolatie en elektrisch water verwarmen kost veel meer energie. Duurzaamheidsmaatregelen kunnen niet worden meegefinancierd met de hypotheek. Een woningbouwvereniging die investeert in energiebesparing, zorgt ervoor dat de huurder een lagere energierekening heeft. Maar een huurder die al jaren met een warme trui bij een gaskachel en een geiser zit, krijgt waarschijnlijk geen lagere maar een hogere energierekening. Daarbij leidt het doorbelasten van de woonverbeteringen tot veel hogere woonlasten in de huurprijs.

Er zijn een drietal oplossingen voor deze problemen:

  1. Energieprestatievergoeding voor de corporaties

  2. Renovatie – Esco’s (= Energy Service Company)

  3. Gebiedsesco’s: samen investeren in wind

De allereerste woningbouwcorporaties hadden met een soortgelijke problematiek te maken. Men wilde destijds de huisvesting kwalitatief verbeteren maar bewoners konden zelf niet investeren. Sommige woningcorporaties, waaronder de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van eigen woningen te Amsterdam, stelden zich ten doel de te bouwen woningen na 20 jaar in eigendom aan de bewoners te doen overgaan.

Huiseigenaren van nu willen of kunnen niet investeren in het verduurzamen en renoveren van de woning, omdat het financieel niet altijd is op te brengen. Een oplossing kan de RESCO zijn. Theoretisch is dit een hele mooie toepassing maar hiervoor zijn nog behoorlijk wat institutionele, regelgeving en organisatorische hobbels die overwonnen moeten worden. Niet heel verassend als je kijkt naar wat er is opgetuigd om woningcorporaties te laten functioneren.

Tot slot is vraag gestuurd werken belangrijk maar soms ook juist niet. Bij woningbouw voor het hogere segment zal de vraag naar energiezuinig of PV-panelen eerder aan bod komen dan bij sociale huur waar de huurprijs essentieel is. Hoewel zaken als comfort (isolatie) voor beide doelgroepen even belangrijk kunnen zijn, kan het betekenen dat je bij sociale huur wel degelijk ook PV-panelen kan meenemen alleen dan in een andere vorm, bijvoorbeeld RESCO in plaats van particulier eigendom. In beide situaties heeft de bewoner hier uiteindelijk voordeel van (als het zonnepaneel is afbetaald kan de energieprestatievergoeding verlaagd of afgeschaft worden) hoewel bij aanvang de ene doelgroep er waarschijnlijk niet op zit te wachten en de andere wel.

4. Toekomstbestendig versus bottom-up initiatieven

Een mooie casus waar de bottom-up en top-down energietransitie elkaar tegenkomen, is in het vraagstuk ‘gasloze wijken’. Hier komen de nationale visie met internationaal component (afhankelijkheid en toekomst gas in Nederland, MinEZ), het vervangingsvraagstuk van netbeheerders, gemeentelijke ambities rondom energie maar zeker ook sociale woningbouw samen met burgers die weer een eigen beeld hebben: misschien enerzijds niet willen veranderen met grote weerstand tot gevolg of juist in een duurzaam initiatief een andere kant op bewegen en hele hoge verwachtingen hebben (lokaal initiatief zet in op PV, all-electric en hebben warmtepompen aangeschaft en gemeente gaat voor duurzame warmte). Wat nodig is, verschilt per gebied: de lokale structuur bepaalt mede de mogelijkheden voor de energietransitie.

Echter, nieuwe technologieën zorgen dat mensen het maken van keuzes moeilijk vinden. Komt er waterstof en waterstof bussen, maar ook auto’s? Gaan elektrische auto’s onze batterijen voor woonwijken worden? Hebben we straks elk beschikbaar oppervlak vol liggen met zonnepanelen; zowel in weilanden, als ook op parkeerplaatsen, snelwegen en gebouwschillen? En als die technologie zo voortschrijdt, hoe kunnen we daar voldoende op anticiperen? Infrastructuur, die er voor 50 jaar ligt, moet dus voldoende robuust zijn (met datgene wat we nu weten). Maar nu nog een nieuwe CV-ketel aanschaffen is riskant. Als over 5 – 10 jaar de keuze in jouw wijk wordt gemaakt om het gasnetwerk niet meer te vervangen, moet je alsnog voor een ander systeem kiezen. Een regio zal een visie moeten ontwikkelen op het gewenste energiesysteem en daarmee moeten bijsturen. 

Jeanke van der Haar, Manager Business Development and Innovation, Engie Energy Solutions

Het energiesysteem verandert; waar vroeger en nu de energie van boven naar beneden stroomde, heb je nu en in de toekomst lokale energiestromen die je op elkaar moet afstemmen. Het oude systeem kenmerkt zich door centrale opwekking, éénrichtingsverkeer elektriciteit en duidelijke rollen. Het nieuwe systeem kenmerkt zich door decentrale opwekking, multi richtingsverkeer elektriciteit en consumenten worden producenten. Vooral de veranderende verhoudingen, integratie en nieuwe samenwerkingsvormen die nodig zijn om van de energietransitie een succes te maken, vormen de hoofdpunten.

De klimaatverandering geeft de ‘sense of urgency’ om iets te doen, maar het is de kruisbestuiving van technische en sociale innovaties, die nieuwe oplossingen mogelijk maken. Hierbij treedt de digitale infrastructuur als verbinder op. De nieuwe energieverbindingen betreft maatwerk projecten per gebied; de combinatie van woningniveau, wijkniveau, stad en provincieniveau bepalen hoe de energievoorzieningen eruit komen te zien. Wat zijn de aandachtspunten van zo’n project?

  • Het gaat om een integrale en situatie afhankelijke oplossing

  • Dat vraagt nieuwe vormen van samenwerken en vertrouwen

  • Met een gedeelde visie, het verbinden van belangen en kleine concrete stappen

Gocongres 2016 sessie b 2

Voor een praktijkvoorbeeld kijken we naar het open warmtenet in Zaanstad. Hierbij gaat het om de volgende prognoses: 2.500 huishoudens, 9 utilitaire panden, 7 km leiding, verbruik van 125.000 GJ/jaar en een geschatte CO2-reductie van 7.000 ton. De warmte is afkomstig van de biomassa centrale, rioolwaterzuiveringsinstallatie en een eventuele aansluiting op het Amsterdamse warmtenet (AEB). De gemeente Zaanstad wil energieneutraal worden en zet in op de volgende punten:

  • De grootste impact zit in het vervangen van aardgas door duurzame warmte

  • Het wordt een open warmtenet met mogelijkheden voor inzet meerdere duurzame bronnen

  • Warmte naar bestaande bouw: versnelling van energietransitie

Bij dit project zijn 15 organisaties aangehaakt met ieder hun eigen belangen en doelen. Het draait om de samenwerking tussen mensen. Bij een werksessie over het warmtenet zijn de volgende actoren betrokken: drie woningcorporaties, drie VvE’s, gemeente Zaanstad, biomassaleverancier Nuon (eigenlijk de concurrent), het Hoogheemraadschap, twee adviseurs, Alliander en Engie. Het gaat om samenwerken en het begrijpen van elkaars belangen. Het project wordt alleen succesvol als iedereen eruit haalt wat voor hem belangrijk is. Hoe kom je aan een slimme gezamenlijke lokale energievoorziening? Stakeholders lopen immers tegen diverse obstakels aan en hebben talloze vragen en zorgen. De belangrijkste vier:

  • Sociale en organisatorische issues: Wie zijn alle stakeholders, wat zijn hun belangen, welke zijn belangrijk, hoe enthousiasmeer je partijen aan boord te gaan, hoe creëer je draagvlak, hoe krijg je commitment? Als je eenmaal commitment hebt, hoe leg je deze vast en met welke contactvormen?

  • Gebrek aan kennis: Je wilt iets met duurzaamheid maar weet eigenlijk niet wat of als je weet wat je wilt, hoe moet dit dan gerealiseerd worden? Wat zijn alle mogelijkheden? Dit vindt plaats in een multifunctionele en multidisciplinaire context in een complexe niet-transparante sector waar je soms onvoldoende kennis van hebt.

  • Financieel: Als je weet wat je wilt en met wie, is het plan dan financieel wel haalbaar? Hoe gaan we dit samen financieren? Welk verdienmodel schuilt erachter? Wat zijn de risico’s en hoe gaan we deze beheersen? Gezien de omvang van het project en de grootte van de investering wil je faalkosten goed in de gaten houden: geen trial-and-error maar een goed gestructureerd en doordacht plan.

  • Context: Voldoet ons project aan wet- en regelgeving? En komt het overeen met lokaal en centraal beleid? Is het plan toekomstbestendig? Wat nu duurzaam en innovatief is, zou over 10 jaar wel eens als fossiel en achterhaald bestempeld kunnen worden.

Energieleveranciers kunnen partijen helpen met hun zorgen, vragen te beantwoorden en hen te helpen obstakels te overwinnen. Zij hebben immers kennis van de sector, kennis van de realisatie van dergelijke projecten (het blijft niet enkel bij een papieren plan) en een geïntegreerd breed dienstenaanbod. Het gaat om visie, maar ook om de kleine stappen. Het gaat om vertrouwen en nieuwe vormen van samenwerken, zoals de bijzondere samenwerking tussen Engie en Nuon. Ervaringen van Engie:

  • Zorg vooraf voor commitment

  • Het gaat om het verbinden van belangen

  • Gezamenlijke sessies met voor iedereen begrijpelijke inhoud

  • Een spelvorm (bv. smart city game) is beter (en leuker) dan een powerpoint presentatie

  • Onderzoek wat iedere partij kan inbrengen om de doelen te bereiken

  • Start klein en concreet, maar denk groot

Daarbij is het belangrijk om voor integrale oplossingen te durven gaan;

  • Werk samen met iedereen; overheden, burgers, klanten en concurrenten.

  • Denk in oplossingen; het is niet de techniek en het zijn ook niet de kosten die ons beperken, wel moet je zoeken naar de juiste waardering bij alle partijen.

  • Het gaat niet om het afwentelen van risico’s op de ander; wel om te zorgen dat degene die het risico het beste kent en kan dragen, dat ook gaat doen.

  • Veel processen en organisaties zijn niet ingericht op integrale oplossingen. Durven we dit te veranderen? Het is de durf om samen te werken op een nieuwe wijze met een langere horizon en denkend vanuit de waarde voor alle betrokkenen.

Thérèse van Gijn, Directeur Adviesbureau van Gijn

Duurzame gebiedsontwikkeling gaat over technische details, innovatie, financiële onzekerheden en organisatorische schermutselingen aan verschillende overlegtafels. Ook over zorgen met elkaar delen en samen tot een mooie oplossing komen. Als casus nemen we de herontwikkeling van project Valkenburg; een voormalig militair vliegveld gelegen tussen Katwijk en Leiden, dat ontwikkeld wordt naar een woon- en werkgebied met 5.000 woningen en een werkpark.

Het is een energieneutraal gebied, dat:

  • op jaarbasis geen netto import van fossiele of nucleaire brandstof van buiten de systeemgrens nodig heeft.

  • zowel het gebouw gebonden als het niet-gebouw gebonden (huishoudelijke) energiegebruik betreft.

  • energie die nodig is om het gebied te laten functioneren zoals openbare verlichting en gemalen ook is meegenomen.

Het project kenmerkt zich door de ambitie om aan energieneutrale gebiedsontwikkeling te doen tegen de laagst mogelijke kosten voor de eindgebruiker. In de praktijk geldt daarbij, dat het tevens zoveel mogelijk budgetneutraal wordt voor de grondontwikkelaar, dus dat het gekozen energieconcept leidt tot haalbare business cases voor iedere betrokken partij. De uitgangspunten waren robuuste technieken (bewezen concepten, toekomstige ontwikkelingen niet uitsluiten, zonder subsidies) en de energie infrastructuur (warmte + elektriciteit, groen gas + elektriciteit of alleen elektriciteit). Projectlocatie Valkenburg en Gebieden Energie Neutraal (GEN) hebben ongeveer twee jaar gewerkt aan het opdoen van kennis om de ambitie te realiseren. Het ging daarbij om de technische, organisatorische, juridische en financiële haalbaarheid. Er is uiteindelijk gekozen voor een all-electric concept, dus geen warmtenet en geen gasnet.

Het all-electric concept:

1. Mogelijkheden energieneutraal:

  • Voorziening middels elektrische of alternatieve (complexe) toepassingen

  • Vraag- en aanbod sturing nodig om piekbelasting op het net te reduceren

  • Historisch gezien technisch moeilijk realiseerbaar gebleken

2. Financiën en woonlasten:

  • Lage vastrechtlasten eindgebruiker, alleen voor elektriciteit

  • Bijbehorende energie opwekkers financieel aantrekkelijk voor exploitant

  • In potentie laagste energielasten van de drie infrastructuurvarianten

3. Maatschappelijke acceptatie:

  • Bijna per definitie gekoppeld aan windmolens

  • Geen CO2-uitstoot

4. Lange termijn robuustheid:

  • Breekt met de energie infrastructuur uit het verleden

  • Sluit aan bij de ontwikkelingen van elektrisch vervoer

Vanuit financieel oogpunt was het in 2014 een bijzonder gunstig ontwikkelingsconcept. Inmiddels is saldering ingewikkelder geworden en is het onbekend waar het politieke klimaat heen waait. De uitdaging bevindt zich op het door de schalen heen werken: van macro via meso naar micro niveau, zie afbeelding 3. Elke nieuwe technologische innovatie heeft invloed op verschillende schaalniveaus in een gebied. Bij innovatie en een implementatie daarvan moet daar dan ook op gestuurd worden. Degenen, die technologie wil implementeren, moet meer doen dan alleen randvoorwaarden opnoemen. Het all-electric concept vraagt heel wat van een bestaand netwerk; een verandering van trafohuisje en een leiding duurt in de uitvoering al bijna drie jaar. Dus praat en overleg op tijd.

Afbeelding-3_sessie_B.jpg

Op woningniveau wordt de warmtevraag als volgt ingevuld:

  • Zonneboiler of zonnecollectoren

  • Vloerverwarming, waarbij de individuele grondgebonden warmtepomp in nieuwbouw op dit moment als solide en economisch meest interessante oplossing naar voren komt

  • De ontwikkeling van warmtepompen gaat door

Bestuurlijk draagvalk halen en behouden vereist ook een actieve inzet. Dit geldt voor alle projecten. De meeste zijn met ambities gestart, waarvan niemand feitelijk wist wat ze organisatorisch en financieel gedurende het project zouden gaan betekenen. Gebiedontwikkelingen lopen langer door dan een collegeperiode. Tevens wisselen bestuurders (met hun ambities) en projectmanagers regelmatig van plek. Controleer dus of de eens geformuleerde ambitie nog staat en haal zo nodig opnieuw commitment op bij elke stap, die veranderingen laat zien op technisch vlak, bij de business case of woonlasten. Aandachtspunt hierbij is om op te letten hoe ambitie uitgelegd wordt; het projectmanagement praat over een energieneutraal gebied, maar in de uitwerking gaat het dan soms alleen over nieuwbouwwoningen of wordt een getekende gasleiding al aangelegd. Tot slot is draagvalk nodig om afspraken te consolideren zoals de doelstelling uit het klimaatplan, afspraken tussen woningcorporaties en gemeenten en om regionaal samen te werken aan eenzelfde doelstelling.

Gespreksleider, Ellen van Bueren, Hoogleraar Urban Development Management TU Delft


Intern artikel: een mooi voorbeeld van Nul op de meter woning ontwikkeling in de GASLOZE woonwijk Rijswijk-Buiten.

Bekijk de presentatie van Ninke Maas hier (pdf), de presentatie van Jeanke van der Haar hier (pdf) en de presentatie van Thérèse van Gijn hier (pdf).

Auteur

Portret - Tine van Langelaar
Tine van Langelaar

Onderzoeksmedewerker bij Staatsbosbeheer

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte