Opinie Rondom Prinsjesdag werd er nog maar eens gehamerd op veel en snel bouwen. Begrijpelijk, maar volgens Sacha Ausems en Berend de Vries is een dergelijke versmalling van de bouwopgave gevaarlijk. Zij pleiten voor een veel bredere inzet op gezonde buurten: “Elke woning die erbij komt, ook door ombouw of splitsing, is dan een investering in kwaliteit van leven.”
Tijdens de Troonrede liet de koning er geen misverstand over bestaan: “Zo snel mogelijk zoveel mogelijk bouwen voor iedereen.” Vorige week stuurde de minister het Actieplan Versnelling Woningbouw naar de Kamer. De urgentie is begrijpelijk, alleen in Brabant al zijn tot 2035 ruim 120.000 extra woningen nodig. De minister wil meer, sneller én beter bouwen en stelt dat die drie niet tegen elkaar zijn uit te ruilen. Echter, in de praktijk zien we dat kwaliteit onder druk komt te staan wanneer tijd en geld gaan knellen.
Wie louter stuurt op aantallen en tempo, grijpt terug op een reflex die na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan. Tijdens de wederopbouw ontstond een bouwcultuur die draaide om kwantiteit, standaardisatie en de productie van zoveel mogelijk woningen per wijk. Dat was destijds een begrijpelijke reactie op de acute woningnood, maar leidde tot een systeem dat stenen stapelen verwarde met buurten bouwen.
Brabant van gisteren
Inmiddels zit die naoorlogse bouwcultuur ons in de weg. We sturen nog altijd primair op aantallen en op het bouwen van traditionele eengezinswoningen. In Brabant bestaat inmiddels 73 procent van de woningvoorraad uit eengezinswoningen, terwijl al 37 procent van de huishoudens uit één persoon bestaat en het aantal 75-plussers richting 2050 bijna verdubbelt. We bouwen dus vooral voor het Brabant van gisteren. Ondertussen staan landelijk ruim 70.000 mensen op de wachtlijst voor een Knarrenhof en wonen 624.000 werkende jongeren noodgedwongen thuis.
De versmalling van woonopgave tot bouwopgave heeft meer gevolgen. Het sociale weefsel in buurten slijt, de eenzaamheid neemt toe en de zorgvraag groeit terwijl zorgpersoneel schaars is. Ook de leefomgeving blijft onderbelicht. Ruim 20 procent van de mogelijke nieuwe verstedelijking in Brabant ligt in kwetsbaar natuur- of drinkwatergebied. En afgelopen zomer maakte hittestress voor iedereen voelbaar dat versteende buurten slecht voor de gezondheid zijn. Al die problemen stapelen zich op in kwetsbare buurten. Waar de kwaliteit van bestaande woningen daar toch al achterblijft, bestaat bij nieuwe plannen het reële risico dat groen, ontmoetingsplekken en voorzieningen de sluitpost worden.
Van stenen naar gezonde buurten
De wooncrisis vraagt om snelheid, maar niet om een versmalling van de opgave. Als Brabantse Provinciale Raad Gezondheid en Provinciale Raad voor de Leefomgeving pleiten we in een recentelijk gepubliceerd advies voor een andere kijk: ontwikkel niet alleen woningen, maar investeer gelijktijdig in veerkrachtige, gezonde buurten. Dat is de echte opgave. Elke woning die erbij komt, ook door ombouw of splitsing, is dan een investering in kwaliteit van leven.

‘Sacha Ausems’ (bron: Provinciale Raad Gezondheid en Provinciale Raad voor de Leefomgeving)

‘Berend de Vries’ (bron: Provinciale Raad Gezondheid en Provinciale Raad voor de Leefomgeving)
Die kwaliteit ontstaat waar samenleven en leefomgeving elkaar raken. Een sterk sociaal weefsel vormt niet alleen de basis voor onze gezondheid, maar is ook de motor voor een sociale, veilige en weerbare wijk. Vanuit de leefomgeving gaat het over groen, ontmoeten, koelte, voorzieningen dichtbij en water en bodem die bepalen wat een plek kan dragen. Door die twee blikken te verbinden wordt zichtbaar wat een gezonde buurt vraagt. Maar zolang beleid, programmering en financiering vooral sturen op aantallen en tempo, blijven gezonde buurten afhankelijk van bevlogen pioniers. Vier keuzes zijn nodig om naast meer en sneller, ook toekomstbestendig te bouwen.
1 Maak kwaliteit van leven tot harde toets vooraf
Gezondheid staat in omgevingsvisies vaak als intentie, zelden als criterium waarop wordt gestuurd, zo blijkt uit onderzoek van Het PON&Telos. Daarbij gaat de omgevingsvisie over de fysieke leefomgeving en gaat het Volkshuisvestingsprogramma over wonen en de samenhang met zorg. Samenleven en leefomgeving komen in geen van beide beleidsinstrumenten samen. Verbreed daarom het Volkshuisvestingsprogramma met gezondheid en de leefomgeving, en maak kwaliteit van leven in de omgevingsvisie een bewust ontwerpdoel, zodat dit doorvertaald wordt naar concrete projecteisen. Tilburg laat zien dat dat kan, met een toekomstvisie die brede welvaart vertaalt naar kwaliteit van leven in de sociale en fysieke leefomgeving. Zo verandert de vraag of een plan de buurt gezonder maakt van een vrijblijvende wens in een harde toets vooraf.
2 Begin bij Waarden, niet bij Eisen
Gebiedsontwikkeling start meestal met een Programma van Eisen, een lijst met wat gebouwd wordt, tegen welke prijs. Zodra de financiële druk toeneemt, vallen groen, gezondheid en ontmoeting als eerste weg en verdwijnt ook de omgevingskwaliteit naar de achtergrond. Een ‘Programma van Waarden’ draait die volgorde om. Partijen leggen vooraf vast welke gezondheidswinst een wijk over 30 tot 50 jaar oplevert en hoe mensen er samenleven. Pas daarna volgen de eisen.

‘Meer en Deel Eindhoven’ (bron: Provinciale Raad Gezondheid en Provinciale Raad voor de Leefomgeving)
Meer&Deel in Eindhoven laat zien dat het werkt. Bij dat CPO-project begon het gesprek bij autonomie, verbinding en natuurlijk wonen. Door tuinen, werkplekken en klusruimtes te delen, kwamen er geen 17 maar 40 volwaardige woningen.
3 Zie de bestaande voorraad als primaire woonopgave
Ruim 80 procent van de woningen die Brabant in 2050 nodig heeft, staat er nu al. Wie daar meer uit haalt, versterkt buurten en spaart schaarse ruimte. Het Actieplan zet daar ook op in, maar de verhouding zegt genoeg. Tien- tot twintigduizend per jaar uit de bestaande voorraad, tegenover ruim 400.000 op 31 grootschalige nieuwbouwlocaties. Terwijl de instrumenten woningdelen, splitsen en optoppen woningen toevoegen op plekken waar bewoners elkaar al kennen. De transformatie van leegstaande kantoren en scholen verandert een buurt van binnenuit.
Die alternatieven vragen wel om regels die meewerken. Woningsplitsing strandt nog te vaak op de eis van twee parkeerplaatsen. Vervang parkeernormen door bereikbaarheidsnormen en sta parkeren op afstand toe, zoals in Tilburg dat inzet op buurtparkeergarages aan de rand van de wijk. Wie toch voor uitbreiding kiest, hoort uit te leggen waarom de bestaande voorraad niet volstaat.
4 Laat wie later profiteert nu meebetalen
Sociale ambities sneuvelen zelden omdat niemand ze wil. Ze sneuvelen omdat grondwaarde, bouwkosten en fasering de toon zetten. Toch levert een gezonde buurt forse baten op, zoals minder zorg en minder eenzaamheid. Alleen landen die baten niet bij wie investeert, maar bij zorgverzekeraars, werkgevers en het waterschap. TNO telde meer dan 250 van zulke baathouders. Wie straks profiteert, hoort nu aan tafel. Bij De Suikerzijde in Groningen leggen zorgverzekeraar Menzis, corporaties, het Rijk en Dura Vermeer via een gebiedsfonds nu al geld in, deels uit verwachte zorgbesparingen.
Het Actieplan Versnelling Woningbouw ligt er. De Nota Ruimte, de regionale verstedelijkingsstrategieën en de actualisatie van de Brabantse Omgevingsvisie volgen dit najaar, en de minister legt het ‘hoe’ nadrukkelijk neer bij de regio's en de markt. De keuzes die daar nu worden gemaakt, tekenen de buurten van morgen. Daarom hoort bij iedere gebiedsontwikkeling één vraag voorop te staan. Wordt deze buurt hier weerbaar en gezonder van? Wie vanuit die vraag ontwikkelt, bouwt niet alleen woningen, maar investeert in kwaliteit van leven voor huidige én volgende generaties. Dáár gaat de echte versnelling over.
Over de auteurs
Sacha Ausems is voorzitter van de Provinciale Raad Gezondheid (PRG). Berend de Vries is voorzitter van de Provinciale Raad voor de Leefomgeving (PRL). Beide raden adviseren het provinciebestuur van Noord-Brabant. Lees hier het volledige advies over gezonde buurten.
Cover: ‘Eindhoven’ door Lea Rae (bron: Shutterstock)









