platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Redactioneel

Energietransitie door coalitievorming

Energietransitie door coalitievorming

28 jan 2014 - De broodnodige energietransitie lijkt maar langzaam op gang te komen. Brussel scherpt de klimaatdoelstellingen aan, maar krijgt het niet voor elkaar om bindende afspraken over duurzame energie te maken voor individuele landen. De praktijk lijkt ondertussen verder te zijn dan de politiek. Steden, bedrijven, en burgerinitiatieven pakken de opgave op, maken onderling afspraken en lopen voorop op overheden. Het zijn dit soort ‘coalitions of the willing’ die momenteel het verschil maken, stelt professor Jacqueline Cramer, directeur van het Utrecht Sustainability Institute. Het onlangs onder auspiciën van de SER gesloten Energieakkoord is hiervan een goed voorbeeld. Ook gedragsverandering van de burger speelt een belangrijke rol. De invloed van financiële prikkels wordt hierbij nogal eens overschat, stelt hoogleraar Omgevingspsychologie Linda Steg. De belangrijkste energiewinst is ondertussen te halen in de bestaande voorraad. Nieuwe samenwerkingsverbanden zoals de Esco’s (Energy Service Company) spelen hierop in en ontzorgen gebouweigenaren. Maar de energietransitie beperkt zich niet tot het nemen van maatregelen in de wijken alleen. Het halen van de duurzame-energiedoelen uit het Energieakkoord betekent een flinke aanslag op de ruimte, met name in de bouw van windmolens en de verbouw van biomassa. Een analyse van de problematiek, voorzien van commentaar op de actualiteit en trends door Jacqueline Cramer.

Vanuit Brussel worden de klimaatdoelstellingen voor 2030 aangescherpt. Met name de uitstoot van broeikasgassen moet fors worden teruggedrongen (40% minder dan het niveau van 1990). Toch zijn de reacties op de nieuwe doelstellingen niet onverdeeld positief. Met name op het gebied van duurzame energie (‘renewables’) laat Brussel het nodige liggen. Weliswaar worden ook hier de normen opgeschroefd (een aandeel van 27% in 2030, is nu 20% voor 2020), maar omdat er voor de individuele landen geen bindende afspraken worden gemaakt, lijkt de vraag gerechtvaardigd of we dat gaan halen. De richtlijn geldt namelijk niet per land, maar voor Europa als geheel. Zonder onderlinge afspraken kan straks iedereen elkaar de zwarte piet toespelen en is niemand aanspreekbaar. (zie ‘het waait te hard, vindt Brussel’). Voor de klassieke energiesector, met een flinke invloed in Brussel, gaat het allemaal te hard. Ook landen als Polen (90% energie uit kolengestookte centrales) en Frankrijk (75% uit kernenergie) trappen op de rem. Met als gevolg dat een bedrijf als Eneco waarschuwt voor investeringsonzekerheid voor bedrijven. Het piept en het kraakt in de oude economie, stelt Jacqueline Cramer. ‘De omslag naar de nieuwe economie doet pijn.’ Europa lijkt nu paradoxaal genoeg te kiezen voor een bottom-up benadering als ze er zelf niet in slaagt om juridisch bindende afspraken te maken, stelt klimaatredacteur Paul Luttikhuis van NRC. Ook Cramer ziet deze tendens. Zij wijst er op dat er inmiddels veel meer belangen spelen dan ten tijde van ‘Kopenhagen’, toen Cramer minister van Milieu was en de onderhandelingen voerde. ‘In mijn tijd als minister waren de ambities veel uniformer. Europese afspraken werden vertaald naar het nationale niveau en waren bindend. Als je geen taakstelling neerlegt voor landen, zoals Brussel nu doet, blijft het onduidelijk. Maar het speelveld is veranderd. Er is veel minder eenheid in Europa. Dat er überhaupt een doelstelling is neergelegd voor renewables betekent dat het ambitieniveau hoog is ingezet. Maar dit leidt helaas nog niet tot een stevig akkoord dat bindend is. Dat is zeer problematisch, want zonder goede instrumenten gaat het niet werken.’ Zo’n instrument is bijvoorbeeld het emissiehandelssysteem, dat niet functioneert, aldus Cramer, omdat er te veel uitzonderingen zijn gemaakt. Oorspronkelijk zou alleen de zware industrie worden uitgezonderd, maar inmiddels hebben bijna alle landen hun eigen industrieën beschermd. Zo ontstaat een overschot aan emissierechten, waardoor de prijs voor CO2-uitstoot laag blijft. Cramer: ‘Het emissiehandelssysteem werkt niet, en dat is een groot probleem, want zonder zo’n instrument heb je niets aan doelstellingen. Je kunt nergens op sturen.’ De tijd voor de overall-akkoorden is wat Cramer betreft dan ook wel voorbij. Zij pleit voor het sluiten van coalities met sectoren en bedrijven die zien dat er een enorme maatschappelijke opgave ligt en bereid zijn om stappen te zetten. ‘Vanuit de nationale overheden gebeurt nu veel te weinig. Maar er is een flinke winst te maken van afspraken op sectorniveau of op het niveau van de steden. Een coalition of the willing, met de koplopers die roepen dat ze willen, zoals Philips, met uitstraling naar de rest. In het ontwerp van auto’s en apparaten is een grote slag te maken in het energieverbruik. Maar ook van een stedencoalitie als de C40 Cities Climate Leadership Group die zelf voorop willen lopen in het verminderen van de CO2-uitstoot, verwacht ik de nodige impact. Van de steden en bedrijven moeten we het hebben. Zij zeggen nadrukkelijk: laat het maar aan ons over, jullie onderhandelingssystemen zakken in de modder. Laat ons het maar vlottrekken.’

Bottom-up doorbreekt patstelling

De trend is dus enerzijds een stagnatie op het hogere, Europese schaalniveau, en anderzijds een actiebereidheid op het lokale schaalniveau of in samenwerkingen van steden en bedrijven. Dit bottom up-niveau is geen alternatief voor het overheidshandelen, maar het is én én, zegt Jacqueline Cramer. ‘Het is een manier om de patstelling te doorbreken. Alleen van de Europese Commissie kan het niet meer komen. Dat wordt een eindeloos getouwtrek. Ik zie dat bottom-up initiatieven een positieve draai geven in de richting waar we met z’n allen naar toe moeten. In de VS zie je trouwens een zelfde soort beweging. Daar is de federal government veel behoudender dan sommige van de afzonderlijke staten.’ Jammer is dat de teruggang van Europa meestal ook leidt tot terughoudendheid van de nationale overheid. Als Europa niet met bindende afspraken komt, gaan nationale overheden die ook niet vertalen in ambitieuze doelstellingen. Op het nationale niveau in ons land waren het de Ministeries van EZ en van I en M die het Nationaal Energieakkoord onlangs tekenden. Ook hier gingen stemmen op dat het akkoord niet ver genoeg zou gaan in haar doelstellingen. De winst zou vooral liggen in de gezamenlijkheid die is bereikt door met een veelheid van uiteenlopende partijen doelstellingen op het gebied van de energietransitie te formuleren. Toch trekt het Rijk wel degelijk de portemonnee, namelijk 400 miljoen voor de corporaties voor het verduurzamen van de bestaande voorraad, op weg naar de doelstelling energieneutraal in 2050. Voor de nieuwbouw ligt die lat bij 2020 (volgens het Lenteakkoord uit 2008) (een analyse van het Energieakkoord, inclusief reacties). Voor de nieuwbouw lijken we behoorlijk op koers te liggen. Labels als BREEAM zijn inmiddels breed ingevoerd. Neprom-voorzitter Jan Fokkema bevestigt dit beeld. Ook voor de nieuwbouw ontstaan bottom-up nieuwe samenwerkingen die slimme producten mogelijk maken. Zo kondigden VolkerWessels Vastgoed en ABN- Amro onlangs een samenwerking aan voor de ontwikkeling van energienota-nul-woningen. Het moet de opmaat vormen om volledig over te schakelen op ‘energienota-nul’. Met een speciale regeling voor een tijdelijk hypothecair krediet verruimt ABN-Amro als eerste bank in Nederland de financieringsruimte waardoor de meerinvestering voor de duurzame maatregelen kan worden meegefinancieerd. In RijswijkBuiten worden door Dura Vermeer op dit moment energienota-nul woningen gerealiseerd via de Energie Exploitatiemaatschappij RijswijkBuiten (EERB). Zie: ‘Vergaande samenwerking leidt tot ijzersterke formule’.

Bestaande voorraad

Gezien echter de stagnatie in de bouw en het feit dat het grootste deel van de gebouwde omgeving uit de bestaande voorraad bestaat, valt daar de meeste milieuwinst te boeken. Naast het al genoemde revolverende fonds voor de corporaties zijn het ook hier de nodige bottom-up initiatieven die de boel in beweging brengen. Zoals het Rotterdam Climate Initiative, dat onlangs startte met een actie om 10.000 woningen te verduurzamen. De kern van de aanpak zit in het nemen van energiebesparende maatregelen in combinatie met duurzame energie-opwekking, zoals de plaatsing van zonnepanelen, én gedragsverandering. Experts trekken de wijk in en wijzen bewoners op het energielek van hun woningen en op duurzame maatregelen. Het succes zit in een gecombineerde aanpak, stelt wethouder Wonen Hamit Karakus. ‘Je moet het samen doen. De gemeente staat aan de lat voor een soepele vergunningverlening, de corporatie moet de maatregelen nemen, de bank moet die financieren. En de bewoners ten slotte moeten hun gedrag aanpassen en zorgen voor de omgeving’ (zie het Youtube filmpje). Interessant is ook het voorbeeld van de Esco’s, Energy Service Companies, meestal een samenwerking tussen bouw- en installatiebedrijven en energiebedrijven zoals Eneco. De Esco levert een energiebesparingsdienst die de eigenaar - meestal een publieke instelling maar dat kan ook een corporatie zijn - volledig ontzorgt en wordt gefinancierd vanuit de gerealiseerde energiebesparing. (zie voor voorbeelden en een analyse van de Esco’s). Ook Jacqueline Cramer ziet een positieve beweging in het aanpakken van de energieprestatie van de bestaande voorraad. De huidige crisis in de bouw zwengelt deze aan. In renovatie en verduurzaming zit in tegenstelling tot nieuwbouw werk voor de bouwbedrijven, die deze opgave dan ook steeds breder gaan oppakken. Cramer: ‘Ze moeten wel. Renovatie geeft bedrijven de kans om er weer bovenop te komen. Je ziet nu echt beweging ontstaan in het samenwerken in de keten.’

Collectieve strategieën voor gedragsverandering

Een andere belangrijke opgave in het bewerkstelligen van de energietransitie naast het maken van afspraken in coalitieverband, het stellen van bindende normen en het aanpakken van de bestaande voorraad, is gedragsverandering. Een nogal moralistische term, vindt Cramer. Wat haar betreft gaat het om het creëren van maatschappelijk draagvlak. ‘Het gaat om het organiseren van de betrokkenheid van partijen die samen moeten zorgen voor verandering in de praktijk. Dat is dus ook de burger. De consument moet snappen dat het loont om je huis beter te isoleren, zowel wat betreft comfort als in financieel opzicht. Maar we weten ook dat het moeilijk is om de burger aan te spreken. Daarom moet er meer nadruk komen op een collectieve strategie. Gezamenlijk in de buurt zonnepanelen aanschaffen en de financiën regelen. Of denk aan de blok-voor-blok benadering. Een collectieve benadering maakt veel uit. Mensen zien mee te krijgen in de wijk. We moeten een meer positieve sfeer zien te creëren rondom duurzame energie en energiebesparing. Laten zien dat het werkt.’ In het sturen op woonlasten, bijvoorbeeld met vernieuwende concepten zoals een ‘woonbundel’, wordt vaak de meeste soelaas gezocht. Maar het zijn niet per se financiële prikkels die het verschil maken, stelt hoogleraar Omgevingspyschologie Linda Steg. De overgang naar een nieuw energiesysteem vraagt om ander gedrag van de consument. Zo’n nieuw energiesysteem kan bijvoorbeeld een smart grid zijn, waarbij lokale energie-opwekking (door middel van windmolens en zonnepanelen) wordt gecombineerd met een meet- en regelsysteem dat vraag en aanbod op elkaar afstemt. Dit betekent dat mensen niet altijd zeker zijn van hun energievoorziening, en misschien even moeten wachten met het draaien van de was. De transitie gaat kortom niet alleen over technologie, maar vooral ook over hoe mensen hun gedrag erop af moeten stemmen en de mate waarin ze daartoe bereid zijn. Idealiter gaat de wens van de consument vooraf aan de techniek, maar in de praktijk is dat meestal andersom. Een bijkomend voordeel van een lokaal energiesysteem, stelt Steg, is dat het bewustzijn van gebruikers groter wordt. Nu al zie je dat mensen met zonnepanelen hun meters nauwkeurig in de gaten houden. belangrijk is ook hier om te beseffen dat ‘de’ gebruiker niet bestaat. Uit het recente promotie-onderzoek van Sonja van Dam ‘Smart Energy Management for Households’ blijkt dat het effectiever is om gebruikers op basis van waarden en doelen onder te verdelen in typen, waarvoor je vervolgens per type een benaderingswijze kunt toepassen. Zo zal de ‘thrifty spender’ meer zijn te moveren door geldbesparing dan de het type ‘joie de vivre’ dat eerder is te prikkelen door comfort en prettig leven.
Nieuwe start-ups zoals Nest, onder leiding van ex Apple man Tony Fadell hebben dit goed begrepen. In hun benadering staat ‘design’ en gebruikersgericht denken centraal. Zo ontwikkelde ze een gebruiksvriendelijke innovatieve interface, om de thermostaat hoger of lager in te stellen. De thermostaat onthoudt op welke tijdstippen en dagen je dit instelt en probeert aan de hand hiervan een patroon te ontdekken. Na 1 week herkent het apparaat bijvoorbeeld of jij standaard op maandag om 18:00 uur thuiskomt. Effectief voor energierekeningen, relevante informatie voor het netwerkbeheer en behulpzaam bij het verkrijgen van inzicht in gedragspatronen van gebruikers. Zeker dit laatste punt biedt een kans voor innovatieve productontwikkeling op het grensvlak van architectuur, stedenbouw en industrieel ontwerp. Al kan het ook ethische dilemma’s opleveren. Zie: Essays Duurzame gedragspatronen.

Ruimtelijke politieke opgave

De opgaven onder de energietransitie liggen op meerdere schaalniveaus en bij een veelheid van partijen, van burger tot Brussel. Om falend of inconsistent beleid te ondervangen maken partijen die voorop lopen zelf afspraken over het behalen van doelstellingen. Het initiatief komt steeds meer vanuit de markt en vanuit burgers. Daarmee wordt een zekere bestendigheid gecreëerd en ontstaat beweging. Door het in belang toenemen van het lokale niveau worden burgers zich steeds meer bewust van het belang van hun eigen handelen. Toch heeft het concreet vormgeven aan de opgave van het vergroten van het aandeel duurzame energie een forse impact op het gebruik van de ruimte, wat nog niet breed lijkt te zijn doorgedrongen in de maatschappij. Renewables zijn in ons geval met name wind- en bio-energie, en beide leggen een fors beslag op de ruimte. Die impact op de ruimte moet worden vormgegeven en begeleid, stelt Chris Kuijpers, DG bij het Ministerie van I en M. (Lees het verslag over het Congres Duurzame Gebiedsontwikkeling 1, 2). De energietransitie moet niet alleen procesmatig of in normstelling en gedragsverandering tot stand komen, maar vraagt een ruimtelijke accommodatie, op gebiedsniveau in de stedelijke omgeving én in het landschap. Een opgave kortom waar de ruimtelijke ordening haar tanden in kan zetten, en de kans krijgt om zichzelf weer als relevant op de kaart te zetten.

Zie ook:

Geïnteresseerd in dit onderwerp? Kom naar de jubileumeditie van het praktijkcongres Gebiedsontwikkeling 2014, 27 maart a.s. in de Galgenwaard in Utrecht.

Auteurs

agnes franzen pp
Agnes Franzen

Strategisch adviseur SKG/TU Delft |medeoprichter/hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu (2010-2017)

Bekijk alle artikelen
Portret - Anne Luijten
Anne Luijten

Voormalig hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte