Verslag
AFFR

Filmmakers over gebiedsontwikkeling: zie en huiver

Door Wies Sanders

27 dec 2017 - Stadsontwikkeling is bepaald geen lolletje, zo toonde het Architecture Film Festival Rotterdam dit jaar met het thema ‘City for Sale’. Filmmakers hebben een scherpe blik die wat ongemakkelijk is voor ontwikkelaars, maar wel een broodnodige tegenhanger zijn voor de gesloten wereld van professionals met hun afstandelijk jargon. Drie filmmakers wijdden enkele jaren van hun leven aan het registreren van de actuele stand van stadsontwikkeling in Groot-Brittannië, China en Berlijn; zie en huiver.

Wanneer de bedriegerij begon, kan de makelaar niet zeggen in de film Dream Empire (Denemarken 2016), maar het heeft haar bureau bepaald geen windeieren gelegd. Filmmaker David Borenstein reisde door China en verdiende een centje bij door zich te laten inhuren als ‘white monkey’, een westerse performer. In China staat een westerling namelijk symbool voor welvaart en kwaliteit; dus als je willekeurige westerse toeristen optrommelt om aanwezig te zijn bij een woningbeurs, koopshow of rondleiding door een vastgoedproject, dan kan de makelaar ettelijke procenten meer vragen voor het aangeboden vastgoed. Zo speelde Borenstein een Engelse zakenman die er net was komen wonen, een industrieel die zijn kantoor opent in het fictieve vastgoedproject, een professor, een popster en zelfs een Schotse grenadier, die een woonwijk met Schots thema zogenaamd bewaakt. Dat na de verkoop al die westerlingen nergens te bekennen zijn doet er helemaal niet toe. De meeste kopers zijn immers ook maar beleggers die niet zelf in de woningen zullen verblijven.

Hier is niet alleen de woning handelswaar geworden, ook de mensen verkopen zichzelf  ter meerdere eer en glorie van een illusoire stadsontwikkeling. Uiteindelijk is Dream Empire een mooi klein verhaal over het makelaarskantoor dat deze praktijken hanteerde en de morele keuze die de eigenaresse uiteindelijk maakt. Gelukkig blijkt er hoop te zijn, maar helaas, rijk en gelukkig word je daar niet van.

AFFR2

Dispossession, the great social housing swindle, de titel van de film van Paul Sng windt er geen doekjes om. Het is een bijzondere film omdat het zowel de huidige ontwikkelpraktijk als de voorgeschiedenis van sociale woningbouw in Groot-Brittannië vertelt, zowel de gevoelens van bewoners verwoordt als statistieken en cijfers toont. In de jaren tachtig woonde 42% van de mensen in sociale woningbouw, inmiddels nog maar 8%. En nee, dat is niet omdat we met zijn allen – op die 8% na – welvarender zijn geworden. Het is omdat er een dodelijk giftige succesformule van stadsontwikkeling over het land rolt. De documentaire toont dat aan, aan de hand van een tiental projecten in London en Glasgow. Sociale woningbouw wordt eerst tien tot dertig jaar niet onderhouden, dan wordt er een regeneration plan gemaakt, zittende bewoners wordt ‘affordable housing’ beloofd, die belofte wordt niet nagekomen, dure nieuwbouw wordt gebouwd en de oorspronkelijke bewoners worden soms tot wel 400 kilometer verderop gehuisvest naar plekken waar woningen nog wel betaalbaar zijn, maar geen werk te bekennen is. Ook hier gloort af en toe een sprankje hoop als een community sterk genoeg is om zich niet uit te laten spelen en zich gezamenlijk te verzetten tegen de sociale verbanning. Er worden serieuze alternatieve plannen gemaakt, ondersteund door architecten, die de legacy van sociale woningbouw en de soms wonderschone architectuur een warm hart toedragen.

“Mevrouw, dit is een bouwput, ik kan en wil hier niets aan doen”. Aan het woord is een geïrriteerde brandweerman die het overstroomde appartement bezoekt van een wanhopige huurder. Welkom aan de schaduwzijde van gebiedsontwikkeling anno 2017.

Bovenstaande ‘scène’ speelt zich af in de documentaire City for Sale (Stadt als Beute, Duitsland 2016). Filmmaker Andreas Wilcke heeft zich enkele jaren met zijn camera geworpen op de Berlijnse vastgoedontwikkelingen. En het resultaat is een must-see voor iedere stadsontwikkelaar en stadsbewoner, 83 minuten valt je mond open en puilen je ogen uit over wat mensen elkaar aandoen. Wat deze filmmaker onderscheidt van vele anderen van het type ‘stadsontwikkeling is onrechtvaardig’ is dat hij de verschillende partijen in het proces aan het woord laat en deze scherp en vol humor naast elkaar monteert. De Londense makelaar die met zijn klanten door Berlijn rijdt, op zoek naar een appartement voor een ‘double income, one kid’. Of eigenlijk drie, op verschillende locaties, zodat er twee verhuurd kunnen worden. In de volgende scène komt een huurder thuis en merkt dat er een muur tegen haar keuken-en badkamerraam is gemetseld, de muur van een groot naburig nieuw appartementencomplex. In de volgende scène een politicus die antwoordt op de vraag waarom mensen niet in hun goede en betaalbare woning mogen blijven wonen, ‘maar wat is dan de oplossing?’. Al die mensen lieten zich in hun dagelijks bestaan filmen en staan nu onbewust symbool voor wat er structureel mis is aan ‘de woning als handelswaar’. De huizenmarkt is een gestolde Piketty-grafiek: vermogenden stoppen het geld in woningen en dat levert steeds meer op; de productieven huren huizen en die leveren steeds meer in. 

Er zijn mensen die bijdragen aan stadsontwikkeling, zij die ervan profiteren en zij die eronder lijden. De documentaire is vooral een eye-opener in de ‘ontmoetingen’ tussen die verschillende partijen. De brandweerman die in voornoemde scène wegloopt, heeft de plicht om deze bewoner en haar woning te beschermen. Maar in plaats daarvan vindt hij een niet legitieme reden om weg te lopen, hij wil in zijn werkelijkheid deze vrouw niet helpen. Een ontwikkelaar zegt “we kunnen de zwaksten in de maatschappij niet laten bepalen hoe de stad ontwikkeld wordt. Is het nodig dat een uitkeringsgerechtigde naast Potsdamer Platz woont?’ Het is een vraag die vaker wordt gesteld door ontwikkelaars, onwetend over tijden waarin juist bewust dergelijke kwaliteiten werden gegund aan lagere en middenklassen.

De vraag ‘Van wie is de stad? (Who’s city?, Hans Christian Post, 2017), ook een film over Berlijn, wordt meestal niet gesteld uit betrokkenheid bij die stad, maar om te weten wie het recht heeft de stad te verkopen, en er dus met de poet van de publieke investeringen vandoor te gaan. Dus ja, het is weer hard nodig dat een uitkeringsgerechtigde de stad bepaalt, dat een huurder veilig woont en dat ontwikkelaars zich als goede buur gedragen. Dat heet beschaving, ooit iets waar de stedelijke maatschappij voor stond. 

Films

Meer info op www.affr.nl

Auteur:

Wies Sanders

Programmadirecteur ArchiNed/Urban TV Guide

Recente artikelen