Onderzoek In de periode 1923-1940 kende Nederland twee heropvoedingswijken: Zomerhof in Den Haag en Asterdorp in Amsterdam. In deze wijken werden de zogenaamde ‘sociaal ontoelaatbare’ gezinnen opgevangen om ‘heropgevoed’ te worden tot ‘degelijke’ burgers. Leonie Rovers en Wim Bosschaart onderzochten hoe deze wijken ontstonden, welk effect het wonen in deze wijken had op de bewoners en hoe de lessen uit die tijd kunnen helpen bij de (planologische) oplossingen die worden gezocht voor de ‘probleemwijken’ van onze tijd. “Echte hulp begint niet bij corrigeren, maar bij begrijpen.”
In het interbellum van vorige eeuw werden de gevolgen van de industriële revolutie steeds zichtbaarder in het straatbeeld. Nederland was, zoals historicus Auke van der Woud het later zou noemen in zijn gelijknamige boek, ‘een koninkrijk vol sloppen’. Gemeenten voelden zich sinds de Woningwet uit 1901 genoodzaakt in te grijpen en begonnen met de bouw van ‘gemeentewoningen’. Dit zijn woningen die door de gemeente zelf werden gebouwd, beheerd en/of verhuurd, met als doel betaalbare degelijke huisvesting als alternatief voor de commerciële woningmarkt. Toch kwam niet iedereen in aanmerking voor een dergelijke woning. Inwoners die werden gezien als onhygiënisch, werkeloos, slecht opgevoegd en/of vatbaar voor alcoholmisbruik kregen het stempel ‘ontoelaatbaar’. Zij kregen geen gemeentewoning toegewezen maar werden ondergebracht in aparte wijken, gericht op heropvoeding, conform het idee van maatschappelijke ‘verheffing’ (zoals ook in de Koloniën van Weldadigheid). Zo ontstonden de ‘woonscholen’ of ‘heropvoedingswijken’.
Leonie Rovers rondde onlangs haar bachelorthesis over dit onderwerp af bij de opleiding Landschapsarchitectuur en Ruimtelijke Planning aan de Wageningen Universiteit onder begeleiding van Wim Bosschaart.
Hoewel de laatste heropvoedingswijken van weleer na de Tweede Wereldoorlog in onbruik zijn geraakt, blijft het geloof in overheidsingrijpen om leefomstandigheden te verbeteren voortbestaan, zij het in mildere vorm. Zo werden in 2007 de Vogelaarwijken geïntroduceerd en tuigde de overheid in 2022 het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) op. Binnen dit programma werd in 2025 nog 400 miljoen euro vrijgemaakt om te investeren in twintig ‘kwetsbare stedelijk gebieden’ via de Specifieke Uitkering Kansrijke Wijk. Er klinkt momenteel zelfs een roep om onorthodoxe maatregelen, zoals het voorrang geven aan draagkrachtige bewoners bij huisvesting in probleemwijken. De roep om rigoureuze maatregelen doet denken aan de historische pogingen om de woonproblematiek te bestrijden.

‘Sloop woningen in Zomerhof’ (bron: Haags Gemeentearchief)
In dit artikel blikken we daarom terug op de voorbereiding, totstandkoming en sociaal-maatschappelijke gevolgen van twee heropvoedingswijken: Zomerhof (1923) in Den Haag en Asterdorp (1927) in Amsterdam. Door middel van archiefonderzoek naar gemeentelijke correspondentie schetst dit artikel het gedachtegoed, de ruimtelijke inrichting en de effecten van deze ‘woonscholen’ op haar bewoners. Goedbedoelde hulp leidde tot het onbedoeld vastzetten van gezinnen in de problemen die juist verholpen dienden te worden. De pogingen van weleer lezen als een zoektocht naar de betekenis van het woord ‘overheidshulp’, een zoektocht die heden ten dage nog even actueel is.
De heropvoedingswijk als concept
De heropvoedingswijken werden geïntroduceerd in de jaren twintig van de vorige eeuw. In vele steden puilden de armenhuizen uit, die meestal kerkelijk of filantropisch ingestoken waren. Deze armenhuizen boden weliswaar tijdelijk onderdak, maar geen structurele oplossing. De directeur van de Amsterdamse gemeentelijke woningdienst, Arie Keppler, zag een verantwoordelijkheid voor de gemeente. Naast de aanleg van gemeentewoningen zou de gemeente zich ook moeten bekommeren om de ‘ontoelaatbaren’ die daarvoor niet in aanmerking kwamen. Keppler trok erop uit om te verkennen hoe andere steden met dit vraagstuk omgingen. In Groningen trof hij een zeer gebrekkige opvang aan, terwijl in Zürich de opvang zo aantrekkelijk was dat elke prikkel tot ‘verheffing’ verdween en gezinnen te lang bleven. Op basis van zijn reizen ontwikkelde Keppler het concept van de heropvoedingswijk, waarin de ‘ontoelaatbaren’ eerst de basisprincipes van het wonen leerden en daarna pas mogelijk in aanmerking kwamen voor een gemeentewoning. De heropvoedingswijken fungeerden als een soort ‘maatschappelijke wasstraat’, zoals Stephan Steinmetz ook laat zien in zijn analyse van Asterdorp.

‘Poortgebouw van het voormalige Asterdorp’ door Doriann Kransberg (bron: Stadsarchief Amsterdam)
In de voorbereiding op de realisatie van de heropvoedingswijken, werd in gemeentelijke correspondentie gesproken over deze disciplinerende vorm van hulp. In gemeente Den Haag werd overheidsingrijpen in 1921 gelegitimeerd door te wijzen op de gebrekkige woonomstandigheden, “die als rode draad door de samenleving loopt.” De ‘ontoelaatbaren’ kwamen niet in aanmerking voor een fonkelnieuwe gemeentewoning omdat zij deze simpelweg “niet ten volle waard waren,” schreef het gemeentebestuur (1920). Deze groep diende beperkt te worden in hun vrijheid, zowel vanuit heropvoeding als ‘billijkheid’ tegenover ‘normale gezinnen’: “deze vrijheidsbeperking is intusschen het eenige dat deze woningen van normale onderscheidt (…) uit een oogpunt van billijkheid tegenover de duizende behoorlijke gezinnen, die geen woning als deze voor zelfden prijs als hier betaald wordt, kunnen bemachtigen,” schreef het Haags gemeentebestuur in 1923.

‘Dagelijks leven in Zomerhof’ (bron: Haags Gemeentearchief)
De gemeente Amsterdam volgde een vergelijkbare redenering. Hulpbehoevende gezinnen werden aangeduid als ‘ontoelaatbaar’, ‘gedemoraliseerd’ of zelfs ‘minderwaardig’, in scherp contrast met ‘normale’ of ‘behoorlijke’ gezinnen. De Woningdienst presenteerde zichzelf reeds in 1919 als begripvolle instantie: “dat het voorkomt, dat zij door eigen schuld zoover gekomen zijn… mag geen reden zijn hen zonder hulp te laten.” In tegenstelling tot het verheffingsideaal waren dus niet altijd de omstandigheden de oorzaak, maar was het wel degelijk ook aan de ontoelaatbaren zelf te wijten. Tóch moest er hulp komen. Die kreeg vorm als disciplinering: er moest ‘tucht’ heersen onder het voortdurende toezicht, schreef de Woningdienst in 1919. Wellicht dat de weerbarstige praktijk van de vrije en vooral onvrije Koloniën van Weldadigheid hier zijn intrede doet.
Een visie vertaald in ruimtelijke plannen
Dit gedachtegoed vertaalde zich vervolgens in de ruimtelijke plannen van de heropvoedingswijken. In het Haagse Zomerhof, gebouwd in 1923, kwam dit tot uiting in het ‘molenwiek’-ontwerp dat toezicht vanuit één centraal punt mogelijk maakte. De vijf straten waren kort en doodlopend, zodat ze eenvoudig te overzien waren. De link met het latere panopticum van Michel Foucault (veel toegepast ook in gevangenissen) is snel gelegd. De wijk maakte ook gebruik van klassenindeling. De derdeklasse woningen, bedoeld voor de ‘meest ontoelaatbaren’, lagen het dichtst bij het toezichtspunt. De tweedeklasse woningen waren aan de buitenzijde gesitueerd, maar de bewoners moesten wel nog via dezelfde centrale toegangspoort de wijk betreden. De eerste klasse woningen aan de rand hadden het minste toezicht en kregen zelfs een eigen ingang naar de woning toevertrouwd.
De inrichting stond in het teken van soberheid: “de inrichting zou voorts aan hygiënische eischen moeten voldoen, maar mocht niet zo aantrekkelijke worden, dat men er geen bezwaar in zou zien daar te blijven,” zo werd in 1923 gesteld. Zelfs eventuele hinder van een toekomstige vuilverbranding in 1920 werd weggewuifd, omdat hinder van stank bij “de meest heerschende winden” uitgesloten werd. De tweede en derde klasse mochten uitsluitend tussen twee en vier uur middags bezoek ontvangen; de toegangsport werd in de avonduren zelfs gesloten. Naast de interne hiërarchie, lag de wijk geïsoleerd. De veronderstelling was dat het gesloten en afgelegen karakter gunstig was voor de ‘heropvoedingsdoeleinden’, stelde men in 1920. De sociale afzondering raakte ook de kinderen: zij werden toegewezen aan één specifieke bewaarschool op een dusdanige afstand van de wijk dat het gebruik ervan in de praktijk tegenviel, constateerde men in 1925 zelf.

‘Asterdorp’ (bron: Stadsarchief Amsterdam)
In Amsterdam werd het heropvoedingsideaal vormgegeven in de wijk Asterdorp, gerealiseerd in 1927. Asterdorp lag eveneens geïsoleerd en was volledig ommuurd om een duidelijke scheiding te maken. Ook stelde de Woningdienst in 1929 dat de “negatieve invloed van zulke gezinnen op hun omgeving” niet onderschat mocht worden. Hoewel er geen klassensysteem bestond, waren de straten ook hier ontworpen om in één oogopslag te overzien. De straten kregen geen namen, slechts nummers (1 t/m 132) om het niet te aantrekkelijk te maken of langdurige binding te creëren. Zelfs de sfeer werd zorgvuldig geconstrueerd: waar de tegelijkertijd gerealiseerde wijk Zeeburgerdorp in lichte kleuren werd geverfd, werden de huizen in Asterdorp bewust donker geschilderd om het ‘een somber aanzien’ te geven. De Woningdienst stelde in 1919 dat “opdat uit alles zal blijken, dat men woont in een tehuis, in een inrichting en niet in een normale woning.”
Gevolgen voor de sociale realiteit
Op hun beurt beïnvloedde de inrichting van de wijken ook de dagelijkse realiteit van de ‘ontoelaatbare’ gezinnen. De geïsoleerde, ommuurde ligging van Zomerhof leidde al snel tot stigmatisering. Bewoners ondervonden bijvoorbeeld grote moeite bij het vinden van werk, waardoor ironisch genoeg het beeld van ‘chronische werkloosheid’ onder ‘ontoelaatbaren’ verder werd versterkt. In 1925 erkende de Stichting Controlewoningen het stigma rondom de bewoners: “Uiteraard zijn onze bewoners uit een bewoningsoogpunt niet feilloos, maar dit beteekent geenszins, dat zij voor werken minder geschikt zou zijn dan anderen.” Waar de gemeente de ontoelaatbaren bij aanvang van de plannen negatief afschildert om ingrijpen te legitimeren, zie je hier een voorzichtige bijstelling van dat beeld. Er werd ook in 1928 een werkverschaffingsplan opgesteld, ‘om hen weer te vormen naar bruikbare medeburgers’. Het maatschappelijk nut is goed zichtbaar in de formulering.
De heropvoedingswijken tonen aan dat hulp problematisch wordt wanneer uitgegaan wordt van opgelegde normen over goed en fout
Vergelijkbare mechanismen van stigmatisering speelden in het geïsoleerde Asterdorp. Er circuleerden zelfs verhalen dat Asterdorp nachts werd afgelopen als een gevangenis. Niet voor niets stond Asterdorp later bekend als “het ghetto van Amsterdam.” Pas in 1938 erkende de Gemeentelijke Woningdienst dat onder meer het ontbreken van straatnamen het stigma juist versterkte. Meer dan tien jaar na de opening kregen de straten alsnog namen, “zodat men thans, bij het opgeven van zijn adres, niet direct een stempel van minderwaardigheid ontvangt,” schreef de Woningdienst. Toch brachten de heropvoedingswijken niet de beoogde ‘verheffing’ teweeg. Mogelijk waren gezinnen er zelfs slechter aan toe dan vóór hun plaatsing. Het beoogde doel van hulpverlening bleef uit, leidend tot de sluiting van heropvoedingswijken vanaf de jaren 30 en vooral de jaren 50-60 van de vorige eeuw.
Terug naar het heden: drie kerninzichten
De geschiedenis van Asterdorp en Zomerhof leest als een zoektocht naar wat échte hulp betekent. Deze terugblik laat zien dat goedbedoelde ingrepen ook averechts kunnen uitwerken en biedt drie inzichten die vandaag de dag nog relevant zijn. Allereerst tonen de heropvoedingswijken aan dat hulp problematisch wordt wanneer uitgegaan wordt van opgelegde normen over goed en fout. Destijds werden bewoners hardnekkig bestempeld als ‘ontoelaatbaar’, een ‘demotiverend etiket’, zoals het SCP bijvoorbeeld later ook stelde over de Vogelaarwijken. De ontoelaatbaren werden afgezonderd van eigenlijke hulpverlening. Zij werden eerder gestraft voor hun, al dan niet door eigen toedoen, ‘falen’ (hoewel de woonomstandigheden in basis beter waren dan voorheen). De hulpverleners bleven boven de hulpbehoevenden staan, in plaats van naast hen. Zij moesten de beoogde verheffing bovendien zelf bewerkstelligen, welhaast verdienen.

‘Kinderen in Asterdorp’ (bron: Stadsarchief Amsterdam)
Ten tweede onderstreept deze geschiedenis het belang van het erkennen van structurele maatschappelijke oorzaken. In Zomerhof werd werkeloosheid vooral gezien als persoonlijk tekortkomen. De arbeidsverschaffing betrof vooral ongeschoold werk dat ook weinig perspectief tot ‘verheffing’ bood. De schuld werd bij de gezinnen gelegd, terwijl oorzaken vaak structureel waren (wat te denken van de macht van fabrieksdirecteuren, gebrek aan sociale vangnetten, en dergelijke). Hedendaagse experimenten gericht op het aanpakken van onderliggende oorzaken, zoals de schuldhulpverlening in de Arnhemse wijk Immerloo en Trendbreuk in Zuid-Limburg zijn dan ook een belangrijke stap voorwaarts.
Ten slotte vraagt effectieve hulp om samenwerking tussen beleidsdomeinen, ofwel een ‘brede wijkaanpak’ voor wijken zoals Breda-Noord en Heerlen-Noord. In de heropvoedingswijken lag de nadruk op toezicht, disciplinering en fysieke isolatie, terwijl onderwijs, werk en sociale netwerken nauwelijks werden meegenomen. De nadruk lag op wat de ontoelaatbaren ‘ontoelaatbaar’ maakte, niet op wat hen er mogelijkerwijs uit zou kunnen helpen.

‘Asterdorp in aanbouw’ (bron: Stadsarchief Amsterdam)
Deze inzichten roepen de vraag op hoe het destijds anders had gekund en wat dat betekent voor beleid vandaag. De ‘ontoelaatbaren’ is nooit gevraagd wat zij zelf nodig hadden; hulp werd hen opgelegd. Deze terugblik laat echter zien dat effectieve hulp begint bij luisteren, bij het erkennen van structurele oorzaken en bij het verbinden van fysieke, sociale en economische aspecten die mensen, gecombineerd, kunnen tegenwerken in het leven. Een les is dan ook dat échte hulp niet begint bij corrigeren, maar bij begrijpen.
Impressie van het wonen in Asterdorp Amsterdam.
Wilt u reageren op dit artikel of een gastbijdrage voor Gebiedsontwikkeling.nu schrijven over een ander onderwerp? Bekijk dan hier de mogelijkheden.
Cover: ‘Winter in Zomerhof’ (bron: Haags Gemeentearchief)










