platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Artikel

Tien jaar gebiedsontwikkeling: nog geen tijd voor een feestje

Tien jaar gebiedsontwikkeling: nog geen tijd voor een feestje

2015.09.01_Tien jaar gebiedsontwikkeling_1980

1 sep 2015 - De term gebiedsontwikkeling bestaat ruim 10 jaar. Tijd voor een feestje? Nou, niet direct. Bij gebiedsontwikkeling wordt –als het goed is– gekeken naar het totale plaatje. Aan die integrale aanpak schortte het in het afgelopen decennium regelmatig. Daarom een terugblik op 10 jaar gebiedsontwikkeling.

Een terugblik, niet zonder vooruitblik: want in de tussentijd zijn er ook gebiedslabels op de markt gekomen om juist de integrale, duurzame aanpak van gebiedsontwikkelingen te waarborgen. Bieden deze labels de reddingsboei voor de gebiedsontwikkeling van de toekomst? Wat denkt u?

“Gebiedsontwikkeling” zou je op vrijwel elke ruimtelijke opgave kunnen plakken. Zo breed is het begrip. Het fenomeen heeft in Nederlands dan al oude wortels. Al in de jaren zestig van de vorige eeuw vindt er projectontwikkeling plaats waarbij “meerdere partijen over lange tijd samenwerkten aan de realisatie van ruimtelijke projecten” (uit: Gebiedsontwikkeling in Nederland: diepe val dwingt tot reflectie), wat lijkt op gebiedsontwikkeling in een nauwere definitie.

Nota Ruimte

Gebiedsontwikkeling als begrip kwam op tijdens het ontstaan van de Nota Ruimte in 2004. Minister Sybilla Dekker van VROM in het Kabinet Balkenende II (2003-2006) positioneerde de term voor het eerst op een krachtige wijze. Op zo’n manier zelfs, “dat ruimtelijke ordening naar de achtergrond verdween” (uit: Trendbrief NederlandBovenWater).

Het is dan ook niet bevreemdend dat de Nota Ruimte het eerste grote beleidsdocument was dat uitgebreid over “gebiedsontwikkeling” sprak. Over nieuwe gebiedsontwikkelingen zei het document het volgende: “Nieuwe verstedelijkingsrichtingen moeten integrale oplossingen zijn voor opgaven met betrekking tot wonen, werken, infrastructuur, water en groen”. Het integrale karakter valt op.

In 2005 riep het ministerie van VROM de ”Adviescommissie Gebiedsontwikkeling” in het leven. De commissie moest onderzoeken hoe gebiedsontwikkeling succesvol kan zijn. In een nog in hetzelfde jaar verschenen rapport analyseerde de adviescommissie het gevoerde beleid (zie: Ontwikkel Kracht! Eindrapport van de Adviescommissie Gebiedsontwikkeling). De commissieleden concludeerden dat regionale overheden jarenlang “toelatingsplanologie” hadden gevoerd. Daarbij definieerden overheden wat niet mocht en lieten ze gericht ontwikkelingen toe, in de hoop dat de gewenste effecten werden bereikt. Dat bleek niet (altijd) het geval, aldus de adviescommissie.

De met de Nota Ruimte (“decentraal wat kan, centraal wat moet”) ingezette decentralisatie van het ruimtelijke beleid noemde de commissie positief omdat het lagere overheden verantwoordelijk maakte en aanzette om actief gebieden te ontwikkelen. Van toelatingsplanologie –later ook wel gebiedsontwikkeling 1.0 geheten– ging het naar ontwikkelingsplanologie – ook wel gebiedsontwikkeling 2.0 genoemd (zie: Crisis creëert Ruimte. Eindpublicatie van Platform Duurzame Gebiedsontwikkeling).

Populair…

In de jaren die volgden groeide de populariteit van het begrip “gebiedsontwikkeling”. Op 1 augustus 2006 werd een Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling ingericht aan de TU Delft. Friso de Zeeuw, praktijkhoogleraar gebiedsontwikkeling, reflecteerde sinds die tijd veelvuldig op de trends op het vakgebied. Architectuur.nl schreef in 2008 dat gebiedsontwikkeling ‘hot’ was. “En dat is niet verwonderlijk: deze nieuwe manier van werken in de ruimtelijke ordening leidt daadwerkelijk tot duurzame ontwikkeling van gebieden” (zie: Architectuur.nl). In 2010 startte het online platform gebiedsontwikkeling.nu.

Door de toenemende aandacht voor milieu en duurzaamheid kwam er op initiatief van het Ministerie van I&M, Stichting Kennis voor Klimaat en Stichting Urgenda eveneens in 2010 ook een Platform Duurzame Gebiedsontwikkeling (DGO) voor een periode van drie jaar.

…maar moeizaam

In 2007 verscheen “De engel uit het marmer, reflectie op gebiedsontwikkeling” van prof. Friso de Zeeuw. Na de kredietcrisis in 2008 ging gebiedsontwikkeling een stuk moeizamer, door de economische omstandigheden. De engel hakte niet meer in marmer, maar in het veel hardere graniet. Gebiedsontwikkeling raakte in een impasse.

In 2012 kwam het ministerie van Infrastructuur en Milieu met een rapport “Investeren in gebiedsontwikkeling nieuwe stijl”. Hierin werd gebiedsontwikkeling 3.0 gepresenteerd, waarin duurzaamheid een centrale rol speelt in een nieuw verdienmodel. “Gebiedsontwikkeling 3.0 gaat om: werken vanuit de vraag van de eindgebruiker, duurzaamheid nemen als uitgangspunt en transformatie van het bestaande vastgoed in plaats van nieuwbouw en uitbreiding.”

Integraal en duurzaam?

Gebiedsontwikkeling kent een brede, integrale benadering. Daarin is duurzaamheid –de term is al een paar keer gevallen– als het goed is een vanzelfsprekend én belangrijk aspect, aldus De Zeeuw in het voorwoord van ”Duurzame gebiedsontwikkeling: doe de tienkamp!”. Om duurzaamheid in gebiedsontwikkeling extra te benadrukken wordt ook wel eens gesproken van duurzame gebiedsontwikkeling. Maar: “Idealiter is gebiedsontwikkeling per definitie duurzame gebiedsontwikkeling.”

Hoewel duurzaamheid een integraal onderdeel van gebiedsontwikkeling hoort te zijn, is het een aspect waardoor duurzame gebiedsontwikkeling (DGO) faalt of maar beperkt van de grond komt. In de literatuur worden verschillende oorzaken genoemd, zoals onder andere de hoge ruimte- en milieudruk in het verstedelijkte Nederland en de ingewikkeldheid van (Europese) wet- en regelgeving daarbij (zie: Doorbreek de impasse tussen milieu en gebiedsontwikkeling), de financiële drempel om investeringen te doen (zie: [Methode maakt duurzame gebiedsontwikkeling rendabel](http://www.rvo.nl/sites/default/files/Duurzaam Rendement - artikel Agentschap NL.pdf)), de bestuurlijke drukte (zie: Beleid en wetenschap voor een duurzame verstedelijking) en een beperkte visie op integrale duurzaamheid (zie: rapport VROM-raad over Duurzame verstedelijking).

Niet zelden wordt een van de aspecten people, planet of profit uit het oog verloren. “Juist bij gebiedsontwikkeling gaat het erom de balans te vinden. Dus niet alleen de planet, maar ook de people en de profit. Wie teveel op de ene pijler inzet, verwaarloost de andere. Duurzaamheid wordt bijvoorbeeld vaak gereduceerd tot energiezuinigheid” (uit: Gebiedsontwikkeling in Nederland: diepe val dwingt tot reflectie). Er gaapt tussen duurzaamheidsambities en gerealiseerde gebiedsontwikkeling een “heuse kloof”, aldus een uitgave van Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling. “De gevolgen van de crisis hebben de diepte van deze kloof verder vergroot. De ‘duurzaamste projecten van Nederland’ of zelfs ‘ter wereld’ stranden op de tekentafel” (uit: Gebiedsontwikkeling in een andere realiteit).

Een overzicht van mogelijke obstakels die realisatie van DGO in de weg staan is te vinden in een rapport van een grootschalig onderzoek van Agentschap NL naar energieneutrale gebiedsontwikkeling.

Sinds een paar jaar zijn er ook labels die de duurzaamheid van een gebied uitdrukken in een score en die op die manier proberen bij te dragen aan een duurzame ontwikkeling van gebieden. Te denken valt aan: LEED Neigborhood Development (2010), BREEAM Gebiedsontwikkeling (2011) en sinds 2014 ook het kleinschaliger NL Greenlabel voor buitenruimten. De vraag is of deze labels kunnen bijdragen aan het waarborgen van de integraliteit en de duurzaamheid van gebiedsontwikkelingen. Wat denkt u?

De auteur van deze blog schrijft zijn masterscriptie over de mogelijke rol van een label bij duurzame gebiedsontwikkeling. In het kader van dat onderzoek is hij geïnteresseerd in de ervaringen en meningen van mensen uit de praktijk. Daarvoor is een online survey opgezet. Heeft u ervaring met gebiedsontwikkeling? Doe mee, geef uw mening! Klik hier om de enquête in te vullen. Bent u werkzaam bij een gemeente? Klik dan hier.

P.S. Het invullen van de survey kost u zo’n 10 minuten. Als tegenprestatie kunt u aangeven interesse te hebben in de onderzoeksresultaten. Meer informatie of wilt u contact opnemen? michiel.kerpel@rhdhv.com / 06-49405986

Over de auteur: Michiel Kerpel is masterstudent Milieuwetenschappen (OU) en studeert af bij Royal HaskoningDHV. In het dagelijks leven is hij journalist bij het Reformatorisch Dagblad.

Auteur

Michiel Kerpel

Masterstudent Milieuwetenschappen (OU) | Afstudeerstage Royal HaskonigDHV

Bekijk alle artikelen
Blijf op de hoogte