platform voor kennis, nieuws en debat
platform voor kennis, nieuws en debat
Verslag

Bouw groeit krachtig maar niet in duurzaamheid

Bouw groeit krachtig maar niet in duurzaamheid

Nieuwbouwwijk Purmerend

31 jan 2018 - Het EIB presenteerde eind januari een ronduit rooskleurig groeiscenario voor de bouw. We zijn hard op de weg terug naar de hoge productieniveaus van voor de crisis. Voor de eerste keer becijferde het onderzoeksinstituut ook het aandeel duurzaamheidsinvesteringen in het geheel van de (verwachte) bouwproductie. De urgentie van de klimaatdoelstellingen blijkt in de bouw lauwe weerklank te vinden.

In zijn jaarlijkse onderzoek naar de bouwproductie en werkgelegenheid noteerde het EIB voor het derde opeenvolgende jaar krachtige groei. (1) Met 5% meer productie tot een volume van 63,3 miljard euro was de bouw in 2017 opnieuw de snelst groeiende economische sector in ons land. Ook voor de komende vijf jaar tekent zich stevige groei af: 4,5% in 2018 en 2019 en daarna aflopend naar 2% in 2023.

Niet geheel verrassend was de 11,5% toename van de woningnieuwbouw in 2017 ten opzichte van het jaar ervoor. Wie uit het raam kijkt, ziet het gebeuren. Met een verwachte groei van 7% á 5% dit en volgend jaar, aflopend naar 3% in 2023, gaat de woningbouwproductie eindelijk inlopen op de huishoudensgroei. Ontspanning van de woningmarkt, door overheden zo gewenst, moet dan merkbaar worden.

Verduurzamingsproductie

Omdat van de gebouwde omgeving een aanzienlijke bijdrage aan de nationale energietransitie wordt gevraagd, heeft het EIB voor de eerste keer de verduurzamingsproductie van de bouwsector geraamd. In 2017 bedroeg die 4,5 miljard euro, ofwel 7% op het totale productievolume. Het volume loopt geleidelijk op tot 6 miljard euro in 2022, om daarna weer licht te dalen. Het aandeel in de totale bouwproductie is dan met 1% toegenomen. Zeer bescheiden dus.

Door deze investering zal in 2023 op het gebouwgebonden energiegebruik 75 pJ zijn bespaard ten opzichte van 2017. Vanaf 2018 wordt in woning- en utiliteitsbouw samen ongeveer 13 tot 15 pJ per jaar bespaard.

Voor een goed begrip: het gaat bij verduurzamingsproductie niet om wat bouwbedrijven investeren om hun eigen energetische ‘voetafdruk’ te verlagen, maar om wat ze voor afnemers produceren aan duurzame woningen en dergelijke. Een tweede kanttekening is dat bij de aanleg van windmolenparken door de GWW-sector de kosten van windmolens en kabels niet meetellen als verduurzamingsproductie van de bouw. Hetzelfde geldt voor de kosten van kabels en leidingen bij aanpassingen aan het elektriciteit- en gasnetwerk. In beide gevallen tellen deze investeringen mee voor de energiebranche.

“De energietransitie begint met een koude douche.”

Groot energiepotentieel woningvoorraad

Een belangrijk deel van de verduurzamingsproductie zit in het energetisch verbeteren van woningen door isolatie, HR-glas en installaties zoals als warmtepompen, zonneboilers en zonnepanelen. Hiermee was in 2017 ruim 3 miljard euro gemoeid. Utiliteit (zorg-, onderwijs- en kantoorvastgoed, winkels en horeca) en GWW (m.n. windmolenparken) voegen daar nog 1,5 miljard euro aan toe.

In potentie is er een enorme energiebesparing te halen uit de nationale woningvoorraad, signaleert de EIB-publicatie. De woningvoorraad zit nu gemiddeld op energielabel C. Voor een massale opwaardering naar minimaal label A zou 79 miljard euro nodig zijn. Hier zou dan een energiebesparing van 165 pJ tegenover staan. Het Energieakkoord voor duurzame groei uit 2013 zette in op een nationale besparing van 100 pJ in 2020.

Tegelijk wijst niets erop dat een voortvarende verduurzamingsslag in de woningvoorraad op handen is. Integendeel, het gaat momenteel niet harder dan een paar duizend verduurzaamde woningen per jaar. En dat is veel en veel te weinig. Dit was de teneur van het paneldebat dat volgde op de presentatie van de bouwprognoses.

Verdeling woningvoorraad naar energielabel, 2017 (duizend woningen)

Verdeling woningvoorraad naar energielabel, 2017

Bron: RvO, WoON 2015, bewerking EIB

Uit de kolen en het gas

Gespreksleider en interviewer Sven Kockelmann zette het debat onder de titel ‘Klimaatbeleid en de bouwopgave’ dan ook scherp in. Hoe gaat Nederland het voor elkaar krijgen om in 2030 in de energiebehoefte te voorzien zónder het Groningse gas en zónder kolencentrales? De Tweede Kamer heeft er al op aangedrongen om op korte termijn alle nieuwbouwwoningen gasvrij op te leveren.

Bij wijze van voorafje op de paneldiscussie werd D66-Kamerlid Jessica van Eijs aan de tand gevoeld. Zij stelde dat de kolencentrales binnen vier jaar dicht moeten zijn. Van Eijs erkende dat het een grote inspanning vergt om desondanks aan de energievraag te voldoen, maar zei erop te vertrouwen dat de bouw innovatief genoeg is om voldoende energiebesparing in het vastgoed te realiseren. “Een paar jaar geleden dachten we nog dat kleine flats en portieketagewoningen niet energieneutraal te maken waren, nu blijkt dat dat heel goed kan.”

“Om in 2050 klaar te zijn moeten we duizend gebouwen per dag gaan aanpakken.”

Koude douche

Aart van de Pal, directeur Sustainable energy bij ECN, erkende dat additionele maatregelen nodig zijn om de CO2-uitstoot te verminderen binnen de doelstellingen van Parijs. De komende twaalf jaar wordt 25% additionele CO2-reductie gevraagd. De bouw moet voor 6% reductie zorgen. Maar voor een Nederland geheel vrij van gas en olie, bleef hij in het spoor van het huidige regeringsbeleid: binnen 30 jaar. Hij had een aardige metafoor paraat: “De energietransitie begint met een koude douche. Als jouw combi-ketel kapot blijkt kom je voor de keuze te staan: voor 1200 euro een nieuwe ketel of voor 12.000 euro een warmtepomp aanschaffen. We zullen de burgers mee moeten krijgen.”

Van Hoek onderschreef dit punt: “Eenvoudige maatregelen zoals HR-glas en isolatie hebben een goede opbrengst, maar voor ambitieuze stappen is er voor de particulier geen aantrekkelijke business case. Wellicht zou een kleinverbruikersregeling een prikkel kunnen geven.

Van Eijs merkte op dat – als negatieve prikkel – de belasting op gas en elektriciteit al behoorlijk omhoog is gegaan. Tegelijk is het belangrijk, zei ze, een aantrekkelijke financiering op poten te zetten. Gemeenten moeten daarin het voortouw nemen.

Van de Pal wees erop dat er 7 miljoen bestaande woningen zijn. Om die gasvrij te maken is de periode tot 2050 echt wel nodig. Op dit moment is 30.000 tot 50.000 woningen per jaar het maximaal haalbare.

Besparing (PJ) en benodigde investering voor minimaal energielabel in de woningvoorraad, 2017

Besparing (PJ) en benodigde investering voor minimaal energielabel in de woningvoorraad, 2017

Bron: RvO, WoON 2015, ECN, bewerking EIB

Duizend gebouwen per dag

In het eigenlijke paneldebat voer Ed Nijpels, voorzitter SER-Commissie Borging Energieakkoord, nog weer scherper aan de wind. De opgave bestaat niet uit 7 miljoen woningen maar 8,5 miljoen gebouwen die energetisch omgebouwd (inclusief gasvrij) moeten worden. “Om in 2050 klaar te zijn moeten we duizend gebouwen per dag gaan aanpakken.”

Joost Nelis, directeur BAM Wonen, bleef er rustig onder. De bouwsector doet nu een paar duizend woningen per jaar. “We zijn eigenlijk nog aan het oefenen. Vijf jaar geleden zetten wij het eerste blokje nul-op-de-meter-woningen neer, nu komen we al boven de duizend per jaar uit. Vaak wordt ons de vergelijking met de massaproductie van de auto-industrie aangewreven, maar een nieuw prototype kost daar ook vele jaren en vele miljarden.”

Volgens Nijpels is de bouw het hoofdpijndossier in het Energieakkoord geweest. Met de corporatiesector kon de afspraak worden gemaakt om de voorraad van 1,5 miljoen woningen op gemiddeld B-label te gaan brengen. De innovatiekracht van de bouw noemde hij echter onvoldoende. En de prijs van € 65.000 per verbouwing tot nul-op-de-meter-woning is te hoog.

Utrechts wethouder Lot van Hooijdonk (Groenlinks) wees op een project in Overvecht-Noord waarbij 8000 woningen van de gasleiding afgaan. Zeventig procent daarvan is sociale huur, flatjes. Ook Van Hooijdonk vond de kosten per woning nu nog te hoog. Biedingen van innovatieve concepten vanuit de markt zijn er onvoldoende. Een positieve prikkel zal ervan uitgaan wanneer gemeenten per 2021 verplicht worden voor elke wijk een gasvrij-plan op te stellen. “Dat zal veel helderheid scheppen voor de markt en de bouw.”

Nelis wierp tegen dat je niet moet praten over prijs maar over rendement. In Heerhugowaard realiseerde BAM nul-op-de-meter-woningen binnen gelijkblijvende woonlasten. “Maar de energiebesparing valt zo gunstig uit dat we bewoners nog 500 euro per jaar aan energiebesparing te verdienen.”

“We zijn eigenlijk nog aan het oefenen.”

Overheidsbeleid

Volgens de EIB-publicatie stelt het kabinet deze regeerperiode 4 miljard euro aan subsidie voor verduurzaming beschikbaar. Grotendeels, 3,2 miljard euro, is bestemd voor zonne-energie en zonnewarmte via de SDE+-regeling. 100 miljoen euro stroomt als korting op de verhuurderheffing naar de corporaties en particuliere verhuurders. Van de resterende 700 miljoen euro gaat 300 miljoen naar verkenning toekomstig beleid, expertise-opbouw en proefprojecten. Voor 400 miljoen euro wordt nog een bestemming vastgesteld.

Gedeputeerde van Zuid-Holland Adri Bom noemde als provinciale bijdrage aan de energietransitie een warmterotonde die per 2020 operationeel wordt. Met restwarmte uit de haven van Rotterdam worden 13.000 woningen in Leiden verwarmd. De term ‘rotonde’ verwijst ernaar dat de warmte meerdere keren gebruikt wordt, ook bijvoorbeeld door de kassen in het Westland. Verder staat het netwerk open voor meerdere warmteaanbieders. Onder meer ook van geothermie. Een tuindersbedrijf bijvoorbeeld investeert 12 miljoen euro in een geothermie-installatie die op 3 km diepte 160 °C ophaalt. Deze installatie wordt ook aangesloten op de warmterotonde.

Hans Biesheuvel van ONL voor Ondernemers merkte op dat je niet alleen naar energie moet kijken maar ook naar materialen, zoals glas en baksteen. Verder stelde hij dat de echte innovatiekracht bij het midden- en kleinbedrijf zit. “Alleen kunnen de kleinere bedrijven het zich niet veroorloven om twee weken op een aanbesteding te studeren. De grote spelers zijn feitelijk hinderpalen voor innovatie in de bouw.”

Gebouwgebonden lening

Nelis zag het segment nieuwbouw niet als serieus probleem voor de transitieopgave. Deze opvatting werd breed gedeeld. Het echte pièce de résistance is de bestaande voorraad en dan vooral de 5 miljoen woningbezitters en particuliere verhuurders. Een deel van de oplossing daarvoor – opgenomen in het regeerakkoord – schuilt in de gebouwgebonden lening. Hierbij is een lening voor duurzaamheidsinvesteringen vastgekoppeld aan de woning; bij verkoop neem de nieuwe eigenaar de lening over. Momenteel onderzoekt de regering welke hypotheekconstructie hierbij past.

Bom noemde de mogelijkheid om kleine VvE’s bij elkaar te brengen voor een gezamenlijke investering en financieringsconstructie. Wat Nijpels betreft komen er voor woonblokken zelfs verplichte VvE’s.

Burgers ontzorgen

Volgens Nijpels en Van Hooijdonk moeten de bouwsector en de gemeenten meer werk maken van het ontzorgen van burgers. Bij gemeenten worden burgers die subsidie willen aanvragen vaak van het kastje naar de muur gestuurd. En wat de bouwsector aangaat: “Ikea is het grijsgedraaide voorbeeld, maar die kant moeten we wel op”, aldus de Utrechtse wethouder. “Sexy verpakt, modulair en geïndustrialiseerd.” Voeg er meteen een deltaplan voor het omscholen van mensen voor de isolatie- en installatiesector aan toe.

In de onderhandelingen voor een nieuw Klimaat- en Energieakkoord bezet de bouwsector een van de vijf tafels. Afwachten kan niet meer, aldus Nijpels. Hoog tijd om de miljoenen particuliere eigenaren te voorzien van een aantrekkelijk aanbod aan duurzaamheidsproducten.


(1) Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid 2018, Economisch Instituut voor de Bouw, Amsterdam, 2018

Blijf op de hoogte