Interview Vorig jaar schreef onderzoeker Leo Oorschot een kritisch artikel op Gebiedsontwikkeling.nu over de totstandkoming van de Omgevingsvisie Den Haag 2050. Oorschot waardeerde de vijf bewegingen in deze visie, maar miste duidelijke, richtinggevende keuzes. De Haagse gemeenteraad was verdeeld, maar stelde de visie uiteindelijk wel vast. Oorschot gaat nu in gesprek met twee betrokken ambtenaren over de totstandkoming van de Haagse ruimtelijke blik op de toekomst.
Op 18 september 2025 heeft de Haagse gemeenteraad de Omgevingsvisie 2050 Thuis in een groene metropool aan zee aangenomen. Deze visie geeft richting, maar geen eindbeeld. Bij de omgevingsvisie voor Den Haag staat vooral het iteratieve proces tussen visie en stad centraal. Het is als een levend verhaal dat zich in de loop der jaren ontvouwt en centraal daarbij staat de wisselwerking tussen de fysieke leefomgeving en de geleefde wereld in de woonwijken. Per stadsdeel wordt straks een gebiedsvisie vastgesteld als onderdeel van de omgevingsvisie, die daarmee verder wordt verfijnd. Zo wordt recht gedaan aan de grote verschillen tussen lokale kwaliteiten van de stadsdelen en Haagse woonwijken.
Hoe kijken de direct betrokkenen aan tegen de inhoud en aanpak van de Omgevingsvisie? Daarover sprak ik medio januari met Expert Planologie Frank van den Beuken en Expert Stedenbouw Richard Koek, beiden werkzaam bij de gemeente Den Haag.
Voor wie is de Omgevingsvisie Den Haag 2050 geschreven en wat is de aanpak die jullie hebben gevolgd?
Koek: “De visie is geschreven voor iedereen, maar de primaire doelgroep vormt de gemeenteraad, die de visie ook heeft vastgesteld. De gemeenteraad stelt de kaders waarbinnen het college haar beleid ontwikkelt en voert. De visie vormt het langjarige kompas voor het huidige en toekomstige college bij de ontwikkeling van de stad. Uiteraard is de omgevingsvisie ook bedoeld voor de bewoners van de stad, woningcorporaties en marktpartijen, alsmede ondernemers met bouwinitiatieven. Het was daarom ook lastig om één document te maken dat geschikt is voor verschillende doelgroepen.”
Van den Beuken: “De Omgevingsvisie Den Haag 2050 beoogt de fysieke leefomgeving en de bewoners van de stad in onderlinge samenhang te beschouwen en te verbinden. Om deze reden is gekozen voor een levend verhaal, waarin de visie wordt gestructureerd aan de hand van ‘bewegingen’. Verschillende beleidsterreinen worden daarbij integraal bij elkaar gebracht. Deze bewegingen worden de komende jaren per stadsdeel geïntegreerd in deelvisies, die op hun beurt aanleiding kunnen vormen tot actualisering van de overkoepelende omgevingsvisie. Er wordt meer afstand genomen van een beleidsmodel waarin het sectorale beleid dominant is. In plaats daarvan komt een model waarin integrale visievorming en uitwerking op verschillende schaalniveaus dominant is. Dit vraagt een cultuurverandering van de gemeentelijke organisatie. Deze aanpak was een keuze van het college van burgemeester en wethouders om zo met draagvlak te werken aan een toekomstbestendige stad.”
Hoe leg je zoiets complex als de Omgevingsvisie uit aan iemand die niet in het vak zit of zich niet met politiek bezighoudt?
Van den Beuken: “De nota is bedoeld om richting te geven en in gesprek te blijven over hoe de stad er over 25 jaar uitziet, maar vooral ook over hoe we daar komen. Niet alle ruimtelijke en maatschappelijke transformaties voltrekken zich gelijktijdig; sommige verlopen gradueel. Essentieel is echter dat zij in onderlinge samenhang worden bezien. Daarom hoort het begrip ‘thuis’ erbij: het verwijst naar de sociale kant van stedelijke ontwikkeling. Waar eerdere structuurvisies primair vanuit fysiek-ruimtelijke parameters waren geformuleerd, tracht de huidige omgevingsvisie nadrukkelijk ook sociale processen en hun wisselwerking met de fysieke leefomgeving te incorporeren.”
De Haagse Raad van Kinderen van Stichting Leergeld vroeg zich eveneens af hoe de Haagse omgevingsvisie – een lijvig boekwerk vol planologische terminologie – betekenis kan hebben buiten het stadhuis. Hoe ziet Den Haag er in 2050 uit? Uiteindelijk is er een kindvriendelijke versie gemaakt in de vorm van een film. Op 31 oktober 2025 vond de première plaats in het Haags Filmhuis. De vijf bewegingen worden hierin toegelicht en verbeeld. Abstracte begrippen als verstedelijking, verdichting en bereikbaarheid worden in onderlinge samenhang besproken.
‘Thuis’ in een groene metropool aan zee, veel mensen zeggen dat Den Haag helemaal geen metropool is – zoals Londen of Parijs. Waarom dan toch dit begrip in de titel van de omgevingsvisie?
Koek: “Daarover is binnen de gemeente lang gediscussieerd. Den Haag heeft inderdaad niet de klassieke stedelijke kenmerken van een negentiende-eeuwse metropool, maar is wel onderdeel van een steeds sterker wordende Haagse regio met meer dan 1 miljoen inwoners en een internationaal en groen karakter. Daarvoor gebruiken we het begrip groene metropool. De omgevingsvisie benadrukt daarom de onderlinge afhankelijkheid op veel vlakken van de gemeenten binnen de deze metropool en binnen de hele Zuidelijke Randstad. Centraal staat de verwevenheid tussen deze gemeenten en de rol van mobiliteit en verbindingen. De zogenoemde Oude Lijn – de spoorlijn Amsterdam–Haarlem–Leiden–Den Haag–Delft–Rotterdam–Dordrecht – rijgt de steden al lange tijd als kralen aaneen.”
“Deze regionale samenwerking heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat 13 januari 2026 de MIRT-verkenning voor de “Oude Lijn” is ondertekend: de schaalsprong langs het spoor van Leiden tot Dordrecht. De verbetering van station Laan van NOI is daarbij één van de deelprojecten. Alle omgevingsvisies van de betreffende overheden gingen daar al van uit en dat is nu door het Rijk erkend en versneld. Dit is een sluitstuk van decennialange planvorming, waarin de Verstedelijkingsalliantie, een samenwerkingsverband van alle betrokken overheden langs Oude Lijn, een belangrijke rol heeft gespeeld. Voor veel mensen in de stad is dit natuurlijk heel abstract, maar de impact op het dagelijks leven is groot. Mensen kunnen zich steeds eenvoudiger door de regionale ruimte bewegen en het als één grote stad gebruiken.”
Van den Beuken: “De metropool zien wij vooral in de betere samenwerking met de andere gemeenten in de omgeving. Wij hebben de voorzieningen en een hoogstedelijk woonmilieu in Den Haag, en andere gemeenten hebben ruimte voor andere functies zoals een suburbaan woonmilieu. Verder hebben we een heel goed openbaar vervoer-systeem dat alles goed met elkaar verbindt. We hebben elkaar ook nodig vanwege de werkgelegenheid, die per gemeente kan verschillen. Den Haag heeft te weinig ruimte voor de maakindustrie; andere manieren van werken vinden dus vooral plaats in de regio. Den Haag heeft ook geen ruimte voor suburbane woonmilieus; de gemeenten buiten Den Haag hebben daar wel ruimte voor. Daar is vraag naar, en dat is voor de doorstroming op de woningmarkt niet onbelangrijk. De economische samenhang en vervlechting van Den Haag met andere gemeenten in de regio is voor beide kanten een realiteit en ook een noodzaak.”
Hoe is de samenhang tussen de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma, waarbij een visie een abstract en langetermijnperspectief veronderstelt met lange lijnen en een programma meer tijdsgebonden uitspraken doet?
Van den Beuken: “Deze spanning hoeft niet problematisch te worden geïnterpreteerd. Visie en programma horen juist bij elkaar. Hoe concreter de visie, hoe beter. Bovendien kan ook de Omgevingsvisie veranderen en worden geactualiseerd. Als ik kijk naar andere omgevingsvisies, dan vind ik die vaak te abstract. Daarom ben ik blij dat wij in onze visie ook een kaart hebben opgenomen waarop duidelijk te zien is waar kansen liggen voor verdichting, waar we groen willen behouden, waar bedrijventerreinen moeten blijven, waar kansen zijn voor nieuwe openbaar vervoer-lijnen en waar nieuwe verbindingen nodig zijn. Daar bovenop hebben we gekozen voor de verdere concretisering van de ‘bewegingen’ in gebiedsvisies per stadsdeel, waarin ook aandacht is voor verschillen tussen wijken.”
Wat zijn de dilemma’s en koppelingskansen bij de vijf bewegingen zoals die zijn genoemd in de Omgevingsvisie?
Van den Beuken: “Een dilemma is de uitvoeringskracht van de gemeente. We hebben een positieve toekomst geschetst en gekozen voor gematigde groei. De komende jaren willen we groeien, maar wel in balans. Groeien met het aantal woningen betekent dat ook alle maatschappelijke voorzieningen, mobiliteitsoplossingen en werkgelegenheid moeten meegroeien. Dat blijkt in de praktijk heel lastig. Het gevaar is dat er dan keuzes worden gemaakt voor slechts één van deze aspecten. Het dilemma is hoe we de uitvoeringskracht binnen de gemeente kunnen versterken om die groei in balans te brengen. Daar zal vooral de politiek zich na de verkiezingen over moeten buigen, en daarbij zullen ook pijnlijke keuzes moeten worden gemaakt.”

‘Luchtfoto van het centrum van Den Haag’ door Brookgardener (bron: Shutterstock)
“We stellen als gemeente veel eisen bij gebiedsontwikkeling, bijvoorbeeld over betaalbaarheid van woningen, duurzaamheid en werkgelegenheid. Maar als gezamenlijke overheden hebben we geen zak geld om dat bij te passen in de gebiedsontwikkelingen. Er wordt slechts een beetje bijgepast met allerlei stimuleringsmaatregelen. Structureel stellen we te veel eisen en hebben we zelf te weinig te bieden; daar hebben we de rijksoverheid erg hard bij nodig. Daardoor lopen veel gebiedsontwikkelingsprocessen vast. Die betaalbaarheidseis voor woningen kun je alleen stellen als er geld van het rijk bij komt. Door zulke hoge percentages betaalbare woningen te eisen – 70 tot 80 procent – stagneert de hele productie in de prioriteitsgebieden. De gemeentelijke betaalbaarheidseis is daarmee direct een rem op de ontwikkelingen. Dat is een groot dilemma: iedereen ziet de noodzaak van betaalbare woningen voor jongeren en ouderen, en ziet het woningtekort, maar de maatregelen werken de ontwikkelingen juist tegen.”
De gemeente gaat inderdaad vooral over de openbare ruimte, maar daar is helaas niet veel geld voor
Koek: “Dat is het tweede dilemma: hoe vertellen we de stad dat onder invloed van transities zoals de energietransitie, de zorgtransitie, klimaatadaptatie en de mobiliteitstransitie de hele stad geleidelijk verandert? De stad verandert sowieso, of het nou wel of niet gepland wordt. De vorige visie, de Agenda Ruimte voor de Stad uit 2016, ging vooral over geconcentreerd bouwen op de Binckhorst en in het CID, terwijl de rest van de stad een conserverend beleid kende. De nieuwe woonvisie en woonzorgvisie, net als de Netwerkstrategie en het economisch beleid, gaan over de hele stad en benoemen deze transities. Dat komt omdat alle wijken te maken hebben met energie, gebrek aan woonruimte, zorg, klimaat en mobiliteit. Veel mensen zijn huiverig voor verandering, maar de meeste veranderingen zijn ook verbeteringen, bijvoorbeeld doordat de stad leefbaarder wordt. Door verdichting komen voorzieningen dichterbij. Vergeet niet dat Den Haag Zuidwest de afgelopen jaren is verdund wat betreft het aantal bewoners per woning en veel voorzieningen, zoals winkels, is kwijtgeraakt. In drie- en vierkamerwoningen woont nu vaak nog maar één persoon. De verschillende transities hebben elk hun eigen tempo: sommige gaan snel en zijn al afgerond, andere duren lang. Daar hoort ook uitvoeringskracht van de gemeente bij om bewoners daarin te begeleiden.”
Hoe gaat de gemeente in de uitvoering van de Omgevingsvisie om met de bestaande gebouwen en wijken en wat daar aan cultuurhistorie aanwezig is?
Koek: “Dat is misschien wel het derde dilemma. Wij zijn ook kritisch op de naoorlogse stedenbouw. Zo is daar weinig ruimte voor functiemenging en voor goed gebruik van de buitenruimte en het groen. Dat kan echt verbeterd worden. Met functiemenging met voorzieningen, verdichten voor meer passende woningen en beter gebruik van groen kan daadwerkelijk verbetering worden aangebracht. Ook de zelfinrichting en toe-eigening van binnenterreinen door bewoners is een verbetering. Dat hoort allemaal bij de grote verbouwing van Nederland, waarin aandacht nodig is voor deze problemen. Dat staat soms op gespannen voet met erfgoed.”
“Ons domein als gemeente is vooral de openbare ruimte. Daarom zijn coalities met marktpartijen, corporaties, zorginstellingen enzovoort nodig om tot nieuwe ontwikkelingen te komen. Samen moeten we het vastgoed en de buitenruimte in samenhang toekomstbestendig maken. Dat gezamenlijke verhaal is belangrijk. Den Haag gaat geen ordekaarten maken zoals in Amsterdam. Ook die ordekaarten veranderen voortdurend; zo zijn recent de Post-65-monumenten toegevoegd. Dat was een paar jaar geleden nog niet zo. Wel zijn we bezig met een kwaliteitskader voor de stad dat een onderdeel is van de omgevingsvisie. We gaan meer gebouwen aanwijzen die beeldbepalend zijn in de gebiedsvisies.”
Wat zijn de koppelkansen bij de bewegingen uit de omgevingsvisie?
Van den Beuken: “De gemeente gaat inderdaad vooral over de openbare ruimte, maar daar is helaas niet veel geld voor. De koppelkansen liggen vooral wanneer in een wijk bijvoorbeeld het riool vervangen moet worden. Dan kan meteen een betere inrichting van de openbare ruimte worden gerealiseerd. Door groen, bomen en oppervlaktewater kan hittestress worden verminderd. Straten kunnen toegankelijker worden gemaakt voor ouderen en fietsers. Parkeren kan worden aangepast. Ook ondergrondse infrastructuur, zoals die van Stedin, Dunea en het warmtenet, kan dan worden meegenomen. Daarom besteden wij veel aandacht aan de ondergrond; die bepaalt immers waar je bomen kunt plaatsen. De openbare ruimte moet daarna weer twintig jaar mee kunnen. De Bomenbuurt is de eerste wijk waar we deze integrale aanpak willen toepassen. Daar liggen koppelkansen waarbij verschillende transities samenkomen in één wijk. Bij de mobiliteitstransitie staan voor de gemeente de voetganger en de fietser voorop. Het gebruik van de fiets, in allerlei varianten, groeit ook het hardst. Niet de auto; die vergt de meeste ruimte omdat hij groot is. Fietspaden verbreden en aanpassen is overigens erg kostbaar.”
Koek: “Een belangrijke tweede koppelkans is het intensiveren van functies en verdichten rond stations in Den Haag, niet alleen in het CID. Ook de HOV-lijn van Kijkduin via Rijswijk naar Delft hebben we op de kaart gezet, met een interessante koppeling bij winkelcentrum Leyweg, het hart van Zuidwest. Hier zie je een koppeling tussen investeren in openbaar vervoer en betekenis geven aan het hart van Zuidwest. Met openbaar vervoer verleggen we het zwaartepunt van de stad een beetje naar Zuidwest. Daarmee laat je ook zien dat investeren in een tramlijn van betekenis is voor Zuidwest. Die koppeling betreft niet alleen de fysieke leefomgeving, maar ook sociale kansen voor mensen in Zuidwest. Sociale duurzaamheid is, zoals gezegd, een belangrijke koppelkans met de fysieke leefomgeving die we nastreven met de omgevingsvisie.”
Wat vinden bewoners en ondernemers belangrijk voor Den Haag in de komende decennia?
Wilt u reageren op dit artikel of een gastbijdrage voor Gebiedsontwikkeling.nu schrijven over een ander onderwerp? Bekijk dan hier de mogelijkheden.
Cover: ‘Vogelvlucht van Den Haag’ door Collection Maykova (bron: Shutterstock)











