Opinie Columnist Rinske Brand belicht het fenomeen ‘participatie.’ Geen project in de ruimtelijke inrichting van Nederland, hoe klein ook, kan tegenwoordig meer zonder. De fundamentele vraag die erachter weg komt is deze: leidt de betrokkenheid van burgers, ondernemers en anderen ook daadwerkelijk tot betere plekken? Plekken die toegankelijker, bruikbaarder en veiliger zijn. Of verwordt participatie tot routinematig afvinken – en dan weer snel door?
Op het hoogtepunt van de komkommertijd verscheen op LinkedIn een foto. Een gemeenteraadslid van een middelgrote gemeente in het oosten van het land vroeg: “Wie weet wat dit is?” Op de foto: een serie rechthoekige, roestbruine staven met ronde gaten en voorzien het gemeentelogo. Ze staan zo te zien op de stoep, tegen parkeerplaatsen aan. De reacties zijn voorspelbaar creatief. “Zonnewijzers.” “Bewegwijzering voor ufo’s.” “Klootschietpaaltjes.” Het socialmediateam van de gemeente schiet te hulp. Het zijn fietspalen! Onderdeel van een bredere buurtaanpak. En, zo wordt nadrukkelijk vermeld: “Hierover heeft een uitgebreid participatietraject met de buurt plaatsgevonden.”
Alsof daarmee ook de discussie over het resultaat is beslecht. Een reageerder vat het iets minder diplomatiek samen: “En mag het ook nog ietsje lelijker? Gefeliciteerd, en maar participeren, want dan is het proces geweldig (en het resultaat ruk).” Tussen alle grappen staat een interessantere en meer fundamentele vraag: is er wel rekening gehouden met mensen met een beperking? De palen staan namelijk op de stoep voor de lokale supermarkt. Als er straks bakfietsen en fatbikes aan hangen, blijft er dan genoeg ruimte over voor iemand met een rollator, rolstoel of scootmobiel? Zeker met het verzorgingshuis aan de overkant.
Over smaak valt prima te twisten. Dat laat ik graag aan anderen over. Maar toegankelijkheid is een ander verhaal. Als deze fietspalen inderdaad de doorgang belemmeren, zegt het feit dat er ‘een uitgebreid participatietraject’ heeft plaatsgevonden ineens een stuk minder. Dan wordt de interessantere vraag: wie heeft eigenlijk waarover meegepraat? En vooral: wat is er met die kennis gedaan?
Zodra participatie onderdeel wordt van de formele procesgang, kan het proces zelf het doel worden
Participatie is de laatste jaren uitgegroeid tot het Zwitsers zakmes van de ruimtelijke ordening. Een gebiedsvisie? Participatie. Een omgevingsplan? Participatie. Een nieuwe woonwijk? Uiteraard participatie. Fietsparkeren? Je raadt het al. Dat is vooruitgang. Te lang is de stad ontworpen vanaf tekentafels en vanuit vergaderkamers en ontwerpateliers. Alsof de mensen die dagelijks door een buurt lopen, fietsen, werken en wonen slechts figuranten zijn in het decor dat anderen voor hen bedenken. Maar juist omdat participatie zo vanzelfsprekend is geworden, moeten we heel precies zijn over wat we ermee willen bereiken. Niet: hebben we participatie georganiseerd? Maar: wat moeten we weten, van wie en waarom?
De Amerikaanse bestuurskundige Sherry Arnstein stelde al in 1969 een vergelijkbare vraag. Haar inmiddels beroemde ‘participatieladder’ betekende destijds vooral een activistische analyse van de macht: wie heeft daadwerkelijk invloed op wat er gebeurt? Ruim een halve eeuw later gebruiken we haar participatieladder vooral als een handig procesinstrument. Informeren, raadplegen, adviseren, co-creëren. Kies een trede, organiseer een sessie en zet het resultaat op de speciaal ingerichte website.
Natuurlijk hoeft niet ieder fietsparkeerpaaltje via een burgerberaad te worden vastgesteld. Maar iemand die zich met een rolstoel of scootmobiel door de stad beweegt vragen of een doorgang werkt, dat is geen revolutionaire herverdeling van de macht. Dat is zorgvuldig ontwerpen. En zorgvuldig participeren. Met de Omgevingswet heeft participatie bovendien een vaste plek gekregen in het ruimtelijke proces. Dat is winst. Maar daarin schuilt ook een risico. Zodra participatie onderdeel wordt van de formele procesgang, kan het proces zelf het doel worden. Een bijeenkomst organiseren. Een enquête uitsturen. Een verslag maken. Vermelden dat ‘de omgeving is betrokken’. Vinkje erbij en hop, door naar de volgende fase. Dan hebben we aantoonbaar geparticipeerd. Maar hebben we ook iets werkelijk beter gemaakt?
Juist nu participatie zo vanzelfsprekend is, moeten we onszelf die vragen blijven stellen. Wie gebruikt deze plek straks werkelijk? Wie merkt dagelijks de gevolgen van onze beslissing? Wie schuift niet vanzelf aan bij een bewonersavond? Welke kennis missen we zelf? En vooral: wat moet er dankzij deze participatie beter worden? Want daar zou de lat moeten liggen. Niet bij het aantal bijeenkomsten, ingevulde enquêtes of bereikte bewoners. Maar bij de vraag of hun betrokkenheid daadwerkelijk heeft bijgedragen aan een betere plek. Toegankelijker. Veiliger. Bruikbaarder.
Tussen alle zonnewijzers, ufo-bewegwijzering en klootschietpaaltjes stond op LinkedIn dus uiteindelijk één vraag die het hele participatietraject werkelijk op de proef stelde: kunnen mensen met een rolstoel of rollator hier straks nog langs? Misschien zijn het inderdaad gewoon lelijke fietspalen. Daar komen we wel overheen (of letterlijk tussendoor). Maar als straks niet iedere buurtbewoner erlangs kan, blijkt de participatieladder toch vooral een hindernisbaan.
Cover: ‘Rinske Brand Column Cover’ door Esther Dijkstra (bron: Illustratie Esther Dijkstra, bewerkte foto Flore Zoe)





