Analyse De belofte van technologie is dat het gebiedsontwikkelingen slimmer maakt. Bij de tien genomineerde projecten voor de Amsterdamse Architectuurprijs 2026 is dat lang niet altijd het geval, concluderen Tom van Arman en Inge Janse na een analyse. “De meest intelligente gebouwen zijn vaak het minst technologisch.”
Slim. Dat is het toverwoord als het gaat om het oplossen van de problemen die overal om ons heen spelen. Het leveren en opslaan van stroom op het overvolle net. Het realiseren van mobiliteit in drukke wijken. Het klimaatresistent maken van gebieden. En het zorgen voor sociale cohesie in anonieme woonblokken. Het toverwoord bij complexe vraagstukken is altijd ‘slimme’ technologie. Vooral leveranciers hiervan roemen de oneindige mogelijkheden van algoritmen, datasets, software en sensoren om alle vraagstukken op te lossen.

Wat er overblijft wanneer AI het werken aan de stad versnelt
In maart 2026 begon Remco Deelstra bij de gemeente Leeuwarden aan een reeks essays over AI in de stedelijke praktijk, die uitgroeide tot het compacte boek ‘The Urban Professional in the Age of AI.’ In deze persoonlijke bijdrage blikt Deelstra terug op de aanleiding, introduceert hij de vijf lagen uit het boek en werkt hij één laag uit voor gemeentelijke gebiedsontwikkeling: het projectgeheugen.
Om te achterhalen of technologie écht die Haarlemmerolie is, analyseerden wij de tien genomineerde projecten voor de Amsterdamse Architectuurprijs 2026 (de AAP). Deze prijs, jaarlijks uitgereikt door architectuurcentrum Arcam, is bedoeld voor het beste nieuwe gebouw in de stad. Gebouw is daarbij een breed begrip, want de genomineerden varieerden tussen het Duivenhuis (een drielaags huisje in Artis) tot De Vrijheid (een toren van 140 sociale woningen in gebiedsontwikkeling Bajeskwartier Amsterdam).

‘Genomineerde projecten Architectuurprijs Amsterdam’ (bron: Tapp - Smart City Architecture)
De analyse van al deze projecten vond plaats tijdens een bustour langs alle projecten met de verantwoordelijke architecten. Hierdoor konden we de projecten zowel met eigen ogen zien als bespreken met de geestelijke ouders. Zo konden we achterhalen welke uitdagingen elke ontwikkeling kende, hoe technologie werd ingezet om hier oplossingen voor te vinden en in hoeverre dat geslaagd is.
Drie niveaus van intelligentie
Nadat we alle projecten geanalyseerd hadden, ontstond er een duidelijk ruimtelijk patroon. Elk schaalniveau kent namelijk zijn eigen toepassing van technologie en daarmee een bijbehorend niveau van intelligentie:
Wijkniveau
Op het grootste niveau, dat van de wijk, biedt technologie vooral infrastructurele kansen. Denk aan een slim elektriciteitsnetwerk, een warmte-koudeopslag en een circulair systeem voor het composteren van organisch afval. Dit zijn technologieën die enkel kunnen bestaan als ze op voorhand worden ingepland voor de hele wijk. Het resultaat is onzichtbaar weggewerkt, terwijl de hele wijk ervan profiteert. Hier zorgt technologie ervoor dat het noodzakelijke beter wordt – en er dus sprake is van een slimme toepassing.
Blokniveau
Op het niveau van het woonblok zien we dat technologie zich vooral bezighoudt met het oplossen van problemen die niet voorzien waren. Denk aan surveillancecamera’s om onveilige plekken in de gaten te houden, sensoren om de beschikbaarheid van parkeerplaatsen te ontsluiten, gestapelde parkeerplekken om voldoende auto’s een plek te geven en ‘slimme’ pakketpunten om de schier oneindige stroom binnenkomende en uitgaande pakketten in goede banen te leiden. Daarnaast zie je op blokniveau technologische toepassingen zoals groene daken, waterbeheer en zonnepanelen. Deze zijn in bijna elk project aanwezig, maar eerder omdat het de standaard is om te doen dan vanwege de innovatieve werking ervan. Technologie maakt op dit niveau niet het bestaande beter. Ze functioneert meer als symptoombestrijding om onverwachte problemen en noodzakelijke functies achteraf alsnog op te lossen of in te bouwen.
Woonniveau
Op het niveau van de kleinste eenheid, dus een woning of gebruiksruimte, vinden we bij de tien projecten de echte innovaties terug. Hier is geen sprake van stapsgewijze verbeteringen of pleisterwerk, maar vinden we radicale wijzigingen terug ten opzichte van wat normaal is. Voorbeelden hiervan zijn alternatieve modellen voor beheer, eigenaarschap en financiering, zoals via wooncoöperaties. Ook afwijkende materiaalkeuzes zien we op dit niveau, met alle positieve gevolgen van dien. Denk hierbij aan muren die zowel mooi als brandwerend zijn, of façades die tegelijkertijd fungeren als vogelhuizen. Opvallend genoeg komen al die innovaties bijna nooit voort uit de toepassing van technologie, maar zijn ze het gevolg van duidelijke doelen vooraf. Technologie is dan niet de oorzaak van de innovatie, hooguit de facilitator ervan.

‘3 niveaus’ (bron: Tapp - Smart City Architecture)
Innovatie en intelligentie, zo blijkt uit de rondgang, volgen niet per se uit de implementatie van technologie in gebouwen of gebieden. Sterker nog, als technologie een beginpunt vormt, mondt het meestal uit in tamelijk lompe oplossingen voor onvoorziene problemen. Als we echte, radicale intelligentie aantreffen, dan komt die meestal voort uit menselijke eigenschappen. Denk aan het grondig nadenken over doelen vooraf, of het in gesprek met elkaar bepalen wat we sociaal, ecologisch en qua beheer willen bereiken. Als die zaken op orde zijn, volgt de daarbij nuttige toepassing van technologie vanzelf – of niet, als er geen noodzaak toe is. Soms kan namelijk juist de afwezigheid van ‘makkelijke’ technologische oplossingen voor symptomen (zoals camera’s en pakketpunten) ervoor zorgen dat mensen uitkomen op de ‘moeilijke’ menselijke oplossing voor de onderliggende oorzaken.
Oorzaak of gevolg
De meest intelligente gebouwen, zo laten de tien genomineerde projecten zien, zijn vaak het minst technologisch. En dat biedt kansen. De budgetten voor projecten nemen af, het aantal op te lossen vraagstukken neemt toe. In zo’n context is het oprechte en tijdige gesprek met gebruikers, met conclusies die serieus worden genomen, een zeer budgetvriendelijke manier om tot ware intelligentie te komen. Bovendien staat of valt de intelligentie van een ontwikkeling bij het van tevoren definiëren van de ambities. Als die ontbreken of pas later toegevoegd worden, is het verleidelijk om technologie alsnog erbij te trekken om pleisters te plakken en gaten te dichten.
Dus, heb je binnen je project een camera, pakketpunt, sensor of scherm nodig? Stel jezelf dan altijd de vraag of je hiermee de oorzaak van je probleem oplost, of slechts het gevolg ervan bestrijdt. Neem daarom de kansen van technologie nooit als vertrekpunt voor het denken over een gebiedsontwikkeling, maar laat technologie volgen op wat door en voor mensen bedacht is.
De drie niveaus en de bijbehorende projecten
Wijkniveau
Rode draad: technologie is systemisch en infrastructureel ingebed vanaf de tekentafel.
Bajeskwartier/De Vrijheid
Het enige project waarin energie, afval, water en mobiliteit al in het masterplan vastgelegd zijn als onderling verbonden stromen. De daaruitvolgende warmtekoudeopslag, het slimme elektriciteitsnetwerk en de circulaire afvalstromen kunnen alleen bestaan omdat er op wijkniveau van tevoren keuzes zijn gemaakt.
Blokniveau
Rode draad: technologie wordt puur functioneel toegepast, als reactie op onvoorziene resultaten of om aan wet- en regelgeving te voldoen.
Houtrak
De zonnepanelen, warmtepompen, CO2-sensoren zijn goed geïntegreerd, maar zorgen enkel voor beter functionerende gebouwservices, niet voor een betere wijk.
Het Duivenhuis
De technologie voor het klimaatsysteem en het groene dak zijn slim ingebouwd, maar de surveillancecamera doorbreekt de historische illusie van het gebouw.
De Telefoondienst
Ja, er is technologie ingebouwd, zoals een zendmast en zonnepanelen. Maar gezien de geschiedenis van dit KPN-gebouw had er veel meer gedaan kunnen worden met slimme connectiviteit. Een hyperlokaal radiostation voor de wijk? Een gebouwgebonden draadloos netwerk voor autonome communicatie?
Opportuna
De technologie van de ‘slimme’ pakketpunten en camera’s zorgt er vooral voor dat de toch al anonieme omgeving van een woontoren nog minder menselijk wordt. Het is dan misschien wel effectiever, maar niet socialer, terwijl juist daar een grote uitdaging en kans ligt.

‘Opportuna’ (bron: Tapp - Smart City Architecture)
Cornelis
Er is een poging gedaan tot innovatie, bijvoorbeeld door het hergebruik van regenwater en digitale schermen die informatie over de omgeving geven. Tegelijkertijd zorgen onbemande pakketpunten en veiligheidscamera’s eerder voor minder dan meer menselijk contact.
UvA-bibliotheek
Hou je van data, dan is een bezoek aan deze bibliotheek niet te versmaden. Sensoren in alle soorten en maten zorgen ervoor dat altijd bekend is welke studieplekken bezet zijn. Slimme toegangspoorten helpen bij het binnenkomen en schermen geven gebruikers nuttige informatie om de juiste plek te vinden.
Woonniveau
Rode draad: technologie is hier de grote afwezige, en misschien wel juist daarom vindt op dit niveau de grote innovatie plaats.
De Nieuwe Meent
Een blauwdruk voor een collectief bezitsmodel, inclusief ontwerp op basis van co-creatie en gemeenschappelijke wasmachines en andere apparatuur. Het energieneutrale karakter komt voort uit een combinatie van enerzijds slimme technologie en anderzijds bewoners die slimme keuzes maken, zoals voor gemeenschappelijke ruimtes.
Bakstayn
Een succesvolle exercitie in Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO), waarbij bewoners op voorhand meedachten met de architecten. Ze maken nu collectief gebruik van onder meer de sauna en pluktuin. Het complex wil er zijn voor alle soorten bewoners, variërend van jongeren- en seniorenwoningen tot kangoeroehuizen voor meerdere generaties.
Xplora Agora
Juist door technologie buiten de deur te houden (denk aan de schijnbaar onvermijdelijke digitale kluisjes, toegangspoorten en roosters), krijgen leerlingen van deze school de mogelijkheid hun eigen leerproces vorm te geven. Gebruikers werden vanaf de tekentafel betrokken, wat uitmondde in flexibel in te richten ruimtes.
Over de auteurs
Tom van Arman is een slimme-stad-architect en oprichter van Tapp.nl in Amsterdam. De afgelopen decennia hielp hij meerdere steden om het gat te dichten tussen fysieke infrastructuur en digitale ambities.
Inge Janse is als zelfstandig onderzoeksjournalist gespecialiseerd in de rol van technologie in het publieke domein. Eerder was hij adjunct-hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu en redacteur van de SKG-publicatie ‘Data & Gebiedsontwikkeling’.
Over dit onderzoek presenteerde Inge Janse ook een uitgesproken column tijdens de uitreiking van de Amsterdamse Architectuurprijs 2026 vanuit Studio Wieman op 10 juni j.l.. De Gouden AAP 2026 werd gewonnen door de Nieuwe Meent (publieksprijs) en de Universiteitsbibliotheek (juryprijs).
Cover: ‘Xplore Agora Amsterdam’ (bron: Tapp - Smart City Architecture)






