Interview Tijdens het SKG-jubileumcongres in juni reikte VRO-minister Elanor Boekholt-O’Sullivan de MCD-scriptieprijs uit aan Leontien de Waal. In ‘Naar een congestieloze woonwijk?’ onderzoekt zij welke rol energiehubs in gebiedsontwikkelingen kunnen spelen, ter voorkoming van netcongestie.
Het oordeel van de jury tijdens het congres was erg duidelijk. Niet alleen waren de leden lovend over het werk van De Waal, maar spraken zij direct ook gebiedsontwikkelaars op hun verantwoordelijkheid aan. “De scriptie onderscheidt zich door een uitzonderlijk sterke combinatie van inhoudelijke diepgang, vernieuwingskracht, actuele relevantie, concrete handelingsperspectieven en lef om haar eigen, goed onderbouwde mening te formuleren. Leontien houdt een sterk betoog en durft partijen aan te spreken. De scriptie biedt niet alleen inzicht, maar ook een duidelijke agenda voor vervolgacties binnen beleid en praktijk. De jury hoopt dan ook dat zowel overheid als marktpartijen hun voordeel doen met de adviezen uit het rapport.”
Twee maanden later is De Waal nog steeds onder de indruk. “De prijs is een heel mooie bevestiging,” vertelt ze trots. “Je bent een lange tijd met die scriptie bezig en die waardering is dan erg leuk. Door zo’n prijs krijg je het idee dat je inhoudelijk op het juiste spoor zit. Dat is zeker fijn bij een onderwerp dat je al een tijdje vast hebt.” Als sectorexpert bij ABN AMRO is de wereld van de netcongestie namelijk geen vreemde voor haar. “Ik dacht op een gegeven moment: als ik naar al mijn contacten uit mijn netwerk luister, wat kan dan weleens een heel groot hoofdpijndossier worden?”
Hier zit iets
Het antwoord op haar eigen vraag was netcongestie en dan in het bijzonder de rol van energiehubs in gebiedsontwikkeling. “Ik sprak een oud-collega die bij Alliander werkte en hoorde dat zij erop aan het kauwen waren hoe zij de nare boodschap over de problemen rondom netcongestie en woningbouw konden gaan vertellen. Ook wilden zij de samenwerking gaan opzoeken. Dat was voor mij wel de bevestiging van: hier zit iets, dit wil ik gaan volgen.” En ruim twee jaar later was daar Naar een congestieloze woonwijk?
Wat was het moment dat jij dacht: ik zit qua onderwerp en idee echt op de goede weg?
“Op een gegeven moment kwam ik tot de hypothese: energiehubs zouden een oplossing voor de netcongestie kunnen zijn. Maar er waren nog genoeg tegenstanders. Te complex, te duur. Toen hoorde ik op basis van mijn contacten dat de situatie steeds nijpender werd en dat de volgende stap een aansluitstop zou zijn. Die boodschap werd uiteindelijk pas een jaar later gecommuniceerd, maar dan krijg je wel het idee dat je op het goede spoor zit.”
Het begint niet met installatietechniek en meer kabels, maar met nadenken over hoe je überhaupt minder elektriciteitsvraag of opwek in een gebied kunt realiseren
“Ik heb best wat gebiedsontwikkelaars gesproken die al een tijd bezig waren met de vraag: hoe kunnen we met zo’n stop dealen? Die gaan proactief aan de slag. Maar je schrikt ook van het aantal partijen dat geen idee heeft waar te beginnen. En ja, het vraagstuk is super complex. Maar ik heb wel de overtuiging dat vroeg op de trein springen en bij blijven echt helpt.”
Het lijkt erop dat je de vinger op de zere plek hebt gelegd en dat die pijn op veel plekken zit. Waar zit die pijn precies?
“Het onderwerp is voor al die partijen best wel nieuw en het zijn partijen die normaal niet al in de initiatieffase van een gebiedsontwikkeling met elkaar in contact kwamen. Denk aan overheden, netbeheerders, ontwikkelaars en warmtebedrijven. Die moeten nu echt intensief leren samenwerken en elkaars taal leren spreken. Binnen de woningbouw is de norm voor netbewuste nieuwbouwwijken nu heel actueel. Dat wordt een van die knoppen waar je aan kan draaien om überhaupt te kunnen blijven bouwen. En er wordt nu gekeken of dat ook een landelijke norm kan worden.”

‘Leontien de Waal’ (bron: ABN AMRO)
“Maar dan is de feedback die je krijgt vanuit de ruimtelijke wereld en de bouwwereld: ja, er wordt wel op een bepaalde manier gedacht vanuit de netbeheerders en overheden, maar die manier van denken werkt praktisch niet in het businessmodel van een marktpartij. Er zijn nog best wel veel gesprekken gaande over van hoe je nou iets echt praktisch en werkbaar kunt krijgen voor iedereen. Er ontstaan nieuwe coalities en andere samenwerkingen en daar hoort af en toe een beetje gemopper bij.”
“Die transitie heb ik geprobeerd aan te stippen in mijn scriptie. Je kunt technisch gezien van alles bedenken, maar het gaat erom hoe je die samenwerkingen en governance slim inricht. Vervolgens kunnen partijen solide afspraken maken om op voort te bouwen, opdat ze uiteindelijk ook zekerheid aan een (technische) oplossing kunnen ontlenen. Dat is de zoektocht waarbinnen gelukkig steeds meer stukjes aan de puzzel worden toegevoegd en uiteindelijk die puzzel ook wel compleet wordt. Maar dat duurt even. Het is een systeemverandering en dat gaat soms met horten en stoten.”
Welke lessen heb je uit de twee cases gehaald die je hebt onderzocht?
“De Merwedekanaalzone was erg spannend, omdat daar de schop op een gegeven moment in de grond moest en netcongestie de showstopper kon worden. Daar moest gewoon echt een oplossing komen en dan zie je dat partijen elkaar heel proactief gaan opzoeken. En dan komt er ook een oplossing. Het is alleen geen technische blauwdruk, de ‘Merwedeoplossing.’ Ze hadden de ‘mazzel’ dat er al een warmteleverancier in het gebied zat. Nieuwe wijken in het groen hebben dat voordeel niet. Maar er is daar wel een fundament gelegd voor een blauwdruk voor hoe je met elkaar gaat samenwerken en hoe je elkaar als partijen opzoekt. De geïntensiveerde dialoog tussen de gemeente, de provincie en het collectief van ontwikkelaars en grondbezitters. Alleen dadelijk krijgen we the proof of the pudding is in the eating, namelijk wat gebeurt er als de huizen er staan?”
Er zal ook iets vanuit Den Haag of provinciaal moeten worden geregeld voor dat bekostigingsvraagstuk. Anders zit Nederland gewoon op slot
“Ik weet niet wanneer de Balanswijk in Almere er echt komt, maar je ziet wel dat daar een hele kenniscommunity is opgebouwd door Alliander en de gemeente. Er zijn allerlei workshops gehouden en van al die gesprekken zijn partijen heel erg creatief geworden. Daar zijn oplossingen en samenwerkingen uitgekomen. Ik denk dat we met zulke kennis en inzichten veel meer moeten gaan delen. Netcongestie is zo’n probleem, iedereen wil naar een oplossing. Maar wel vanuit zijn eigen kader en soms met wat onvoldoende oog voor de ander. Het begint niet met installatietechniek en meer kabels, maar met nadenken over hoe je überhaupt minder elektriciteitsvraag of opwek in een gebied kunt realiseren.”
Wat hoop je dat gebiedsontwikkelaars met de aanbevelingen uit jouw onderzoek doen?
“Behandel energie niet als sluitpost, maar vanaf de eerste planfase als ruimtelijk ordenend principe. Ga vroegtijdig met elkaar het gesprek aan. Zie energiepartijen en warmtebedrijven in die gesprekken als volwaardige gesprekspartners. Dat zijn ze in een hele korte tijd geworden, dus zij moeten zelf ook nog wennen aan hun rol. En behandel energie als een ontwerpvoorwaarde. Dat betekent al heel vroeg beginnen met je afvragen waar de mogelijkheden zitten. En doe dat dus niet alleen in technische zin, maar ook met een ruimtelijke bril. Hoe kan je alles inpassen in de wijk? Je wilt als gebiedsontwikkelaar een goed project opleveren, dan moet er niet ineens midden in de wijk een blok beton staan als een letterlijke barrière voor de sociale cohesie.”
Een standaard energiehub bestaat niet. In elke gebiedsontwikkeling moet je scherp afwegen: wat doe je individueel per woning en wat doe je collectief in de wijk
“De uitdaging wordt verder: wie gaat zakendoen met wie? Het is niet de intentie van een ontwikkelaar om nog in de exploitatiefase bij een ontwikkeling betrokken te blijven. Maar je weet pas als de mensen er gaan wonen en energie gaan verbruiken, of alles past. Je ziet dat er al ontwikkelaars zijn die zoiets hebben van: ik ga toch kijken hoe ik in een bepaalde rol in een gebied actief kan blijven. Bijvoorbeeld als energie-exploitant, al dan niet in samenwerking met gespecialiseerde bedrijven. Daar ontstaat een scheiding, want voor kapitaalkrachtige partijen is het denk ik makkelijker om die rol te pakken.”

‘Zutphen, The Netherlands’ door Maarten Zeehandelaar (bron: Shutterstock)
“Maar het is wel een andere rol. Normaal verkoop jij als ontwikkelaar de woningen en ga je weer verder. Nu blijf je misschien 10 tot 15 jaar in een soort exploitatiemaatschappij betrokken. De situatie vraagt partijen in gebiedsontwikkeling soms om onorthodoxe rollen in te nemen. En dat is ook weer wennen voor de publieke partijen. Met wat voor gebiedsontwikkelaar heb je te maken? En als ze in een samenwerkingsverband zitten, kunnen gebiedsontwikkelaars ook meerdere verschillende rollen aannemen; bijvoorbeeld energieplanoloog, systeemintegrator van energieoplossingen en kwartiermaker voor de gebiedsorganisatie.”
Tot slot, wat is de belangrijkste boodschap uit jouw onderzoek?
“Een standaard energiehub bestaat niet. In elke gebiedsontwikkeling moet je scherp afwegen: wat doe je individueel per woning en wat doe je collectief in de wijk. Dat is een heel spannende afweging, want je kunt niet altijd overal alles altijd kwijt. En ik werk bij een bank, dus wil ook benadrukken dat niet alles vanzelf gebeurt en dingen ook geld kosten. Dit onderwerp vraagt gewoon meer kennis, meer uitzoekwerk. En dat kost geld. Geld dat niet alleen maar vanuit die gebiedsontwikkeling kan komen, al dan niet ingebracht door financiers. Er zal ook iets vanuit Den Haag of provinciaal moeten worden geregeld voor dat bekostigingsvraagstuk. Anders zit Nederland gewoon op slot.”
Cover: ‘Uitreiking MCD-scriptieprijs door de minister’ door Annelies van 't Hul (bron: Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling)







