Opinie Nurhan Abujidi schrijft over de opgaven en oplossingen als het gaat om de leefbaarheid in onze wijken, met Prinsjesdag 2026 als aanleiding. Onze omgang met deze gebieden wordt teveel door crisismanagement geregeerd, is haar indruk. In plaats daarvan moet de kwaliteit van leven en leefomgeving veel meer het vertrekpunt worden. Het Rijk moet gemeenten daartoe in staat stellen.
Vier jaar geleden schreef ik rond Prinsjesdag over de energiecrisis en waarschuwde ik voor quick fixes. Vandaag de dag zetten overheden, woningcorporaties, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen zich volop in voor oplossingen voor woningnood, klimaatverandering, energietransitie en circulariteit. Toch blijft een ongemakkelijke vraag: zijn we fundamenteel anders gaan handelen, of bewegen we vooral van de ene crisis naar de volgende? Ik zie drie knelpunten. We reageren te vaak, pas wanneer problemen urgent worden. Daarnaast zijn onze sociale, ruimtelijke en fysieke transities versnipperd georganiseerd. Ook helpt het niet dat we te vaak beginnen bij programma’s en instrumenten in plaats van bij de kwaliteit van het dagelijks leven. Juist daar ligt de sleutel om wijken én bewoners blijvend te versterken.
Reactief handelen
Het eerste knelpunt gaat over onze reactieve manier van handelen. Vier jaar geleden vroegen we hoe inwoners hun woning betaalbaar warm konden houden. Vandaag vragen we hoe we diezelfde woningen en wijken tijdens hittegolven leefbaar koel kunnen houden. Vier jaar geleden verwarmen, vandaag koelen. De verschijningsvorm verandert, maar onze reflex blijft vaak dezelfde: zodra een probleem urgent wordt, volgen maatregelen, subsidies en technische oplossingen. Natuurlijk kunnen we niet iedere volgende crisis voorspellen. Maar klimaatverandering, vergrijzing, woningtekorten en schaarste aan ruimte en grondstoffen zijn geen onbekende ontwikkelingen. De uitdaging is daarom niet alles te repareren met quick fixes, maar onze leefomgeving beter voor te bereiden op verandering.
De inwoners zelf beschikken over de kennis die door geen enkel model volledig is te vervangen
Het tweede knelpunt is versnippering. Bij circulariteit kijken we naar materiaalstromen en indicatoren. Voor energie hebben we modellen en prestatiedoelen. Woningbouw wordt gestuurd op aantallen en betaalbaarheid, terwijl klimaatadaptatie, mobiliteit, gezondheid en sociale kwaliteit wéér andere programma’s en financieringsstromen hebben. Al die kennis is waardevol, maar blijft te vaak abstract en vindt nog te weinig haar weg naar andere sectoren. Onze instituties organiseren opgaven grotendeels per sector, terwijl inwoners de gevolgen tegelijkertijd ervaren in één woning, één buurt en één dagelijks leven. De sociale, ruimtelijke en fysieke stad zijn geen afzonderlijke werkelijkheden. Een toekomstbestendige wijk moet energiezuinig en circulair zijn, en moet kunnen meebewegen met het klimaat. Tegelijkertijd moet de wijk betaalbaar, gezond, toegankelijk en sociaal inclusief zijn.
Te laat betrokken
Het derde knelpunt is dat we te weinig beginnen bij de impact die inwoners daadwerkelijk ervaren. We meten aantallen woningen, verbeterde energielabels of vierkante meters groen. Maar wat betekenen die resultaten voor het dagelijks leven? Kan een gezin zijn woon- en energielasten betalen? Kan een oudere zelfstandig blijven wonen? Kunnen kinderen veilig naar school? Zijn voorzieningen bereikbaar en biedt de openbare ruimte genoeg plek voor ontmoeting? De inwoners zelf beschikken over de kennis die door geen enkel model volledig is te vervangen: de kennis van het dagelijks leven. Toch worden zij vaak pas betrokken wanneer belangrijke keuzes al zijn gemaakt. Dat is simpelweg te laat. Daarmee missen we niet alleen draagvlak, maar ook essentiële kennis om stedelijke transformaties beter te richten op huidige én toekomstige behoeften.

‘wageningen’ door UmaSumak (bron: Shutterstock)
Voor een oplossing voor het eerste knelpunt moeten we verschuiven van reageren naar anticiperen en aanpassen. Dat betekent niet dat we precies moeten weten welke crisis over tien jaar ontstaat. Het betekent wel dat we woningen, openbare ruimte, infrastructuur én gemeenschappen zo ontwikkelen dat zij veranderingen beter kunnen opvangen. Een woningrenovatie moet bijvoorbeeld niet alleen het energieverbruik verminderen, maar ook comfort bieden tijdens koude én steeds warmere perioden. Groen kan tegelijk bijdragen aan verkoeling, wateropvang, biodiversiteit, gezondheid en ontmoeting. Zo investeren we niet telkens opnieuw in een oplossing voor het volgende symptoom, maar bouwen we aan veerkracht: fysiek en sociaal.
Volgorde omdraaien
Om het tweede knelpunt aan te pakken moeten we de volgorde van beleidsontwikkeling omdraaien. Begin niet met de beschikbare circulaire strategie, energietechnologie of subsidieregeling. Begin met de vraag: in wat voor steden, buurten en wijken willen we over twintig of dertig jaar leven? Definieer vervolgens de kwaliteiten die daarvoor nodig zijn en verbind daar de verschillende transities aan. Circulariteit, energietransitie, klimaatadaptatie en woningbouw zijn dan geen doelen op zichzelf, maar middelen om deze maatschappelijke meerwaarde te creëren. Dat vraagt om het verbinden van kennis, financiering en uitvoering rond gebieden en de gewenste kwaliteiten, in plaats van uitsluitend in te zetten op sectorale doelstellingen.
Voor het derde knelpunt moeten inwoners vanaf het begin mede richting geven aan die gewenste kwaliteit. Participatie moet niet pas starten wanneer een plan grotendeels vastligt. Bewoners moeten samen met overheden, professionals, bedrijven en kennisinstellingen kunnen bepalen wat behouden moet worden, wat moet veranderen en welke kwaliteiten hun wijk vandaag en voor toekomstige generaties nodig heeft. Vervolgens moeten publieke investeringen niet alleen worden beoordeeld op projectresultaten, maar ook op de maatschappelijke impact: wat merken inwoners daadwerkelijk in hun woning, gezondheid, mobiliteit, betaalbaarheid en leefomgeving? Zo ondergaan bewoners niet alleen de veranderingen, maar geven zij zelf mede vorm aan de leefomgeving van morgen.
Voorbereid op verandering
Mijn advies aan de regering is daarom: maak kwaliteit van leven en leefomgeving het vertrekpunt van het investeringsbeleid. Geef gemeenten en wijken langjarig de ruimte om sociale en fysieke opgaven gezamenlijk aan te pakken, verbind financieringsstromen rond gedeelde maatschappelijke doelen en beoordeel resultaten op wat inwoners ervan merken. Prinsjesdag gaat onvermijdelijk over miljarden voor wonen, klimaat, energie, circulariteit en infrastructuur. Maar vóór we die miljarden verdelen, moeten we één vraag stellen: wat voor Nederland willen we ermee bouwen? We hoeven de volgende crisis niet te voorspellen, maar we moeten wel voorbereid zijn op verandering. Niet de volgende crisis moet bepalen waarin we vandaag investeren. De kwaliteit van de steden en wijken waarin we vandaag én morgen willen leven, moet dat doen.
Over de auteur
Nurhan Abujidi is lector Smart Urban Redesign aan de Zuyd Hogeschool. Vind hier meer hier meer informatie over haar lectoraat Smart Urban Redesign (SURD) – SURD. Deze bijdrage verscheen eerder op de website van Zuyd Hogeschool.
Cover: ‘Hoogeveen’ door Ronald Wilfred Jansen (bron: Shutterstock)






