Verslag Gebiedsontwikkeling is een relatief jong vak, maar wel een dat zich vaak over meerdere jaren (en soms zelfs decennia) afspeelt. Van de betrokken partijen vergt dat een lange adem en koers houden naar de stip op de horizon. En soms kan een terugblik ook helpen om lering te trekken en nieuwe inspiratie te vinden. Het jubileumcongres ter gelegenheid van 20 jaar SKG droeg al deze elementen in zich.
De opening van het congres werd verricht door Machiel van Dorst, decaan van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft en daarmee de gastheer voor het plenaire deel van het programma. Hij gaf aan dat de relatie met de SKG van groot belang is voor zijn universiteit: “We leiden uiteindelijk mensen op voor de Nederlandse praktijk en het actief daaraan deelnemen met meerdere disciplines – onder meer via de SKG – heeft voor ons een grote waarde. De praktijk is in 20 jaar ingrijpend veranderd en daarom is het goed om zowel terug als vooruit te kijken. Zodat we onszelf ook de vraag kunnen stellen of we voorbereid zijn op een onvoorspelbare toekomst.”
Irritatie en doctrine
Hoogleraar Co Verdaas pakte het stokje over en haakte aan bij datzelfde toekomstbegrip: hoe komen we met elkaar tot maatschappelijk goede projecten? Gebeurt dat door ons strikt te houden aan handboeken en risicoprotocollen of is het juist zaak tegen de stroom in te gaan en buiten de lijntjes te kleuren? Verdaas ziet in het land dat er weliswaar hard wordt gewerkt maar dat werkelijke vooruitgang (te) beperkt is. “Mijn irritatie op dat punt leidde bij collega-hoogleraar tot de observatie dat ik bezig was met een nieuwe planningdoctrine; iets waar de vakgemeenschap zich aan vast kan houden in onzekere tijden en dat richting geeft. En dat nadrukkelijk verder gaat dan bijvoorbeeld het schrappen in wetten en regels.”
Er is behoefte aan een betere kennisinfrastructuur: waar gaan we heen, hoe en tegen welke prijs?
De genoemde irritatie zit bij Verdaas vooral op het punt dat velen oproepen tot het maken van keuzes, maar dat er vervolgens vaak grote weerstand ontstaat op het moment dat er daadwerkelijk knopen worden doorgehakt. “In iedere studie staat momenteel dat de toekomst onzeker is en dat is zeker waar. Ook kunnen we niet meer plannen zoals we dat vroeger deden. We zullen die onzekerheid moeten omarmen en vertalen in een meer adaptieve werkwijze, zodat we kunnen meebewegen met de ontwikkelingen die op ons afkomen. Met daarbij de kanttekening dat ook onze kennissystemen niet neutraal zijn; ook naar heel vanzelfsprekende indicatoren en modellen moeten we kritisch durven kijken. We zullen meer aan de voorkant van processen moeten bepalen welke kennis ons behulpzaam is en hoe we omgaan met onzekerheid. Dat is bijvoorbeeld voor bestuurders een hele uitdaging: niet te snel in instrumenten en oplossingen vervallen en ons laten gijzelen op spreadsheet-niveau. In plaats daarvan moeten bestuurders durven aangeven dat de precieze uitkomst van een project ongewis kan zijn. Op dit moment wordt een dergelijke uitspraak niet geaccepteerd – je bent als bestuurder gelijk je baan kwijt – maar we moeten daar meer ontspanning in krijgen. Durf op weg te gaan, ook al weet je nog niet precies waar je uitkomt.”
Nuttige kennis
Anne Beaulieu, hoogleraar Kennisinfrastructuren voor Duurzaamheid aan het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling (Universiteit Utrecht) kon dat laatste beamen, met haar keynote die focuste op de manier waarop kennis wordt geproduceerd, gelegitimeerd en gewaardeerd. Beaulieu constateerde dat er een mismatch bestaat tussen de kennis die we nu hebben en de kennis die we nodig hebben voor de toekomst. Er is behoefte aan een betere kennisinfrastructuur: waar gaan we heen, hoe en tegen welke prijs? Dat zijn vragen die ook in de wereld in de gebiedsontwikkeling spelen, zo heb ik gemerkt. Hoe gaan publieke en private partijen om met de kennis die hen ter beschikking wordt gesteld? Neem dat niet allemaal maar voetstoots aan; kennis ontstaat nooit neutraal, allerlei mensen hebben daarover meegepraat. Zeker bestuurders moeten daar veel meer oog voor hebben.”

‘overzicht tribune’ door Annelies van ’t Hul (bron: SKG)
Net als Verdaas pleitte Beaulieu er ook voor om veel scherper te kijken naar de manier waarop we de wereld om ons heen meten en in kaart brengen: “Waarom zijn meetsystemen gebaseerd op empirische data zo dominant? Dat zorgt ervoor dat we maar een beperkt deel van de realiteit scherp in beeld krijgen. We kijken eenzijdig naar objecten en niet naar relaties, naar de abstracte ruimte en niet naar hoe we die ervaren, als een sense of place.” Complexe en brede thema’s worden zodoende plat en smal gemaakt, aldus Beaulieu. “Er is sprake van een schijnobjectiviteit, met een gebrek aan aandacht voor leefbaarheidsfactoren.” In het verlengde hiervan komt het ook regelmatig voor dat er weliswaar kennis bestaat, maar dat hiermee niets wordt gedaan. Ze noemt als voorbeeld de ruim 30.000 sloten die in Nederland tissen 2017 en 2024 zijn gedempt: “We weten het maar doen er vervolgens niets aan. Dat is het falen van onze kennisinfrastructuur. Er gaapt een geweldige kloof tussen kennis aan de ene kant en de acties aan de andere kant. De oplossing is dan niet om nóg gedetailleerder te gaan meten, maar om vooral te kijken: waarom gebeurt er iets? En wat doen we daaraan? Dat vergt wel een behoorlijke systeemverandering.”
Ander gedrag
Een derde punt dat Beaulieu aansneed, betrof de rol van kennis in onzekere tijden: “Veel kennisinfrastructuur is gebouwd met de veronderstelling van stabiliteit in de wereld; alles groeit en ontwikkelt zich lineair door. Gaat die aanname nog steeds op? Kunnen we de modellen nog verder verbeteren of is een ander gedrag noodzakelijk? Nóg een betere buienradar of gewoon zelf een paraplu meenemen?” Het leren (en daarmee begrippen als adaptatie en weerbaarheid) wordt daarmee belangrijker dan voorspellen, dat gebaseerd is op efficiency en controle. “We gaan van meer weten naar meer leren en van handhaven naar interactie. Van data-driven naar data-informed. Niet ons door data laten sturen en dirigeren maar juist met de data in gesprek gaan en dan zelf onze eigen opinies ontwikkelen.”
De verbinding tussen wetenschap, praktijk, beleid en ontwerp is essentieel
Voortbouwend op de analyse van Co Verdaas zorgde journalist Inge Janse aan het einde van het plenaire ochtendprogramma voor een vrolijke noot door eigenhandig een “manifest van het Verdaasisme” te declameren in een gesproken column. Met als inzet om Nederland aan de haren uit het “moeras van de gebiedsontwikkeling” te trekken. Vijf “vrolijke dictaten” gaan daarvoor zorgen, daarbij lering trekkend uit onder meer het Maoïsme (“vijftigjarenplannen”), het Stalinisme (“wie tegenstribbelt vertrekt naar een heropvoedingskamp. In Almere”) en het kolonialisme (“waarom polderen we eigenlijk niet gewoon de hele Noordzee in?”).
Verantwoordelijkheid nemen
Na de kennissessies en de lunch – op locatie verzorgd in en door het Vakwerkhuis – keerden de deelnemers aan het jubileumcongres terug in de oranje zaal van het Bouwkunde-gebouw. Om als eerste te horen van Directeur-Generaal Ruimtelijke Ordening Marjolein Jansen dat de opzet van de SKG uitstekend past bij de opgaven waar we in Nederland voor staan. “De verbinding tussen wetenschap, praktijk, beleid en ontwerp is essentieel. Om zodoende oog te hebben voor de generaties van vandaag en morgen en om gebieden te ontwikkelen die ook op de langere termijn kwaliteit hebben.” Jansen benadrukte daarbij dat Nederland niet in Den Haag wordt bedacht maar ontstaat door mensen die verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leefomgeving. De VISTA-kaart uit de Ontwerp-Nota Ruimte die de DG liet zien, maakt volgens haar duidelijk dat er geen sprake is van een blauwdruk vanuit het Rijk – maar wel van een richting: “Een goede kaart is wat ons betreft het begin van een goed gesprek; als iemand het belang van dat gesprek heeft laten zien in de afgelopen tijd is dat de SKG wel. Het echte onderwerp daarbij is nog niet eens zozeer de ruimte zelf, maar de samenleving. Met ons werk voegen we een laag toe aan het Nederlandse landschap, voor de generaties die na ons komen.”
De lof van Jansen valt zeker ook aan toe aan het bestuur van de stichting; drie voorzitters uit de afgelopen jaren keken met dagvoorzitter Desirée Uitzetter daarop terug: Ronald Huikeshoven (AM), Heleen Aarts (Amvest) en Sebastiaan de Wilde (NS Stations). Geconstateerd werd onder meer dat het bij SKG sec om de inhoud gaat en niet om posities en belangen, dat maakt het werk van de stichting voor uiteenlopende partijen interessant en relevant. De drie voorzitters gaven een kijkje in de SKG-keuken, waaruit ook bleek dat er ook spannende tijden zijn geweest, zeker in crisistijd: zou het lukken om de deelnemers aan boord te houden? De aanhoudende groei van het aantal leden bewijst dat bestuur en team in die missie in ieder geval geslaagd zijn.
Gemeenschappen bouwen
De afsluiting van het SKG-jubileumcongres vond daarop plaats met VRO-minister Elanor Boekholt-O’Sullivan, die de SKG aanmoedigde door te gaan op de ingeslagen weg (“Dit waren pas jullie eerste 20 jaar”) en de aanwezigen in de zaal aansprak op hun verantwoordelijkheidsgevoel: “Hebben wij inderdaad oog voor de mensen die na ons komen? Kunnen wij gemeenschappen bouwen waar mensen zich echt thuis voelen? Hoe komen we van een ‘huis’ naar een ‘thuis’? Dat is de opgave waar we met elkaar voor staan.”

Minister Elanor Boekholt-O'Sullivan in gesprek met Desirée Uitzetter.
‘Minister Elanor Boekholt-O'Sullivan’ door Annelies van 't Hul (bron: SKG)
Dat kennis daarbij onontbeerlijk is, onderstreepte de minister met het uitreiken van de MCD-scriptieprijs aan Leontien de Waal (ABN Amro) voor haar onderzoek Naar een congestieloze woonwijk. Het betekende de afsluiting van een feestelijke dag die voor de SKG het begin is van een volgende periode van kennisontwikkeling en -deling, met zonder twijfel nieuwe thema’s die zich zullen blijven aandienen.
Cover: ‘SKG beeld’ door Annelies van ’t Hul (bron: SKG)







