Interview Via publiek-private samenwerking komen tot een duurzame inrichting van onze gebouwde omgeving. Dat was twintig jaar geleden de opdracht voor de leerstoel gebiedsontwikkeling aan de TU Delft. Founding father Hans de Jonge blikt terug. “Ik wilde een kanteling aanbrengen in het sectorale denken.”
De zomerkrant is gepubliceerd!
Dit is een artikel uit de Gebiedsontwikkeling.nu Zomerkrant. In deze jubileumeditie van de Gebiedsontwikkeling.krant staat het twintigjarig jubileum van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling centraal. Bekijk hier de complete digitale versie!
Hans de Jonge was nog maar een architectuurstudent toen hij in 1972 de presentatie bijwoonde van het Club van Rome-rapport Grenzen aan de groei. “De aula van de TU Delft was afgeladen,” herinnert hij zich. “De boodschap sloeg in als een bom.” De Amerikaanse wetenschappers Forrester en Meadows baseerden zich voor hun onderzoek op systeemtheorie. “Ze bouwden klimaatmodellen met computers,” zegt De Jonge. “Ineens wist ik waar ontwerpen over gaat, namelijk over scenario’s en hun onderlinge variabelen. Ik wilde snappen hoe dat uit zou pakken op stedelijk niveau: hoe beslissingen ten gunste van een bepaald vraagstuk onbedoeld verkeerd kunnen uitpakken voor een ander. Zo begon in 1972 in mijn hoofd het integratiedenken.”
Het zou een constante factor worden in de loopbaan van De Jonge. “We zijn als samenleving van nature sectoraal georganiseerd, terwijl de meeste complexe problemen een integrale benadering vragen.”
Complexe samenhang
De Jonge begon in 1991 als hoogleraar met een aantal pioniers de snelgroeiende afstudeerrichting Bouwmanagement & Vastgoedbeheer. “Een afstudeerrichting waar mensen met een ontwerpachtergrond ook bestuurskundig worden geschoold, waardoor ze meer aandacht krijgen voor procesmanagement en de complexe samenhang van stedelijke vraagstukken.” In 2002 werd op initiatief van de gemeente Rotterdam door de TU Delft en Erasmus Universiteit de postdoctorale opleiding Master City Developer (MCD) opgericht om te voorzien in de behoefte aan professionals met een brede achtergrond in stedelijke vraagstukken. De Jonge was ook daarin de pionier.
Een aantal marktpartijen drong aan op meer theoretische onderbouwing van publiek-private samenwerking
De MCD startte in een tijd dat PPS-en hoogtij vierden. De Jonge: “In een aantal gevallen pakte dat verkeerd uit. Private partijen hadden een ‘risicodeurtje.’ Zodra het moeilijk werd, liepen ze weg en bleef de publieke kant met de shit zitten.” Het voedde vooroordelen over en weer. Ambtenaren trapten volgens marktpartijen slechts op de rem. Ontwikkelaars golden binnen gemeentehuizen als cowboys. “Een aantal marktpartijen drong aan op meer theoretische onderbouwing van publiek-private samenwerking. Daar lag de sleutel voor de oplossing.”
Sleutelpublicatie
Een aantal marktpartijen nam het initiatief om een praktijkleerstoel gebiedsontwikkeling in te richten om inductief, van onderop, wetenschappelijke inzichten te ontwikkelen. De Jonge werd daarvoor benaderd en opnieuw moest dat integratiedenken centraal staan. “De eerste casus was Paleiskwartier Den Bosch. Mensen van mijn staf hebben samen met ambtenaren van de gemeente gedocumenteerd waarom dat Paleiskwartier zo’n succes was geworden. Het bleek een sleutelpublicatie waarop we konden voortborduren.”

‘Hans de Jonge Go in vogelvlucht’ door Gebiedsontwikkeling.nu (bron: gebiedsontwikkeling.nu)
Friso de Zeeuw werd in 2006 aangesteld als eerste parttime praktijkhoogleraar gebiedsontwikkeling aan de faculteit Bouwkunde. “Friso had een goed profiel in de praktijk en een wetenschappelijke interesse,” verklaart De Jonge. Een ondersteunende stichting moest de leerstoel via publicaties en praktijkdagen voldoende zichtbaarheid geven. Dat werd de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG), waarin Rijk en marktpartijen voor 50 procent deelnamen. Agnes Franzen werd directeur. De Jonge: “Friso en Agnes hebben de leerstoel en de SKG groot gemaakt.”
Ontwerpend denken
In 2016 kon De Jonge met een gerust hart met emeritaat. Nu, weer tien jaar later, telt de SKG zo’n zestig partners, waaronder naast private partners veel gemeenten, provincies en ook maatschappelijke organisaties. De Jonge volgt de ontwikkelingen op de TU van afstand. “Er is veel veranderd. Ik heb altijd als een leeuw gevochten voor het ontwerpende denken. Nu zie je dat in de afstudeerrichting MBE van de TU Delft de sociologische en bestuurskundige benadering soms de overhand krijgt.”
Voor de MCD benadrukt hij het belang van een brede selectie van cursisten, waardoor er voldoende bestuurders, projectontwikkelaars én ontwerpers bij zitten. “Rijksprogramma’s lopen in Nederland vast omdat bestuurders vaak niet verder denken dan hun eigen portefeuille. Maar zo kunnen we geen steden maken. Dus ja, daarin is juist de integrale bril van de SKG harder nodig dan ooit.”
Het vak gebiedsontwikkeling staat op de kaart
Uiteindelijk, besluit hij, is en blijft gebiedsontwikkeling mensenwerk. “Het schoolvoorbeeld voor mij was Riek Bakker die met haar unieke stijl bestuurders een bepaalde kant opduwde. Of wethouders die hun nek durven uit te steken, zoals ooit in Den Bosch. Gebiedsontwikkeling is altijd een complex proces met een lange looptijd. Kijk naar Rotterdam na het bombardement. Pas een halve eeuw later kun je daar spreken van een levendige stad.”
De SKG kan helpen om processen te versnellen. En dat gebeurt, ziet De Jonge: “Bij mij overheerst trots over hoe groot het netwerk is geworden. Het vak gebiedsontwikkeling staat op de kaart. Ja, het is een moeilijk vak, maar superleuk. Ik heb in mijn carrière altijd geprobeerd om mensen daar enthousiast voor te maken.”
Een keynote van Hans de Jonge uit 2014, die verrassend actueel blijkt te zijn. Over de aanpak van de grote uitdagingen in de wereld en het verbinden van domeinen.
Cover: ‘Portret Hans de Jonge’ (bron: Rotterdam Central District)






