Opinie In Utrecht wordt de subsidie aan het architectuurcentrum beëindigd en stopt de “personele inzet voor stedenbouwkundige samenhang en ruimtelijke kwaliteit.” Staatsbosbeheer is van plan de bezoekerscentra door bezuinigingen te sluiten. Deze ontwikkelingen passen volgens Wouter van Riet Paap in een breder patroon dat we ook in de woningbouwdiscussie zien, waar het vooral over aantallen gaat. Dezelfde vraag staat namelijk centraal: wat kost het?
Wat het oplevert past niet in de begroting. De liefde voor natuur die dankzij een bezoekerscentrum ontstaat, komt in de exploitatieberekening niet voor. De kwaliteit van het publieke debat dat in een architectuurcentrum wordt gevoerd, staat niet in de gemeentelijke begroting. Woningaantallen vertellen niet of het er prettig wonen is. De kosten staan vandaag in de begroting, de baten ontstaan later en zijn vaak niet in geld uit te drukken. Onrendabel is dan de conclusie. In ons privéleven werkt dat anders. Niemand vraagt wat het rendement van een nieuwe keuken is of verwacht dat een vakantie zich terugverdient. We vinden het logisch dat sommige investeringen hun waarde ontlenen aan comfort, schoonheid, gezondheid of plezier.
Waarom lukt dit in de wereld die we met elkaar delen minder vanzelfsprekend? Het is niet zo dat de overheid alleen investeert als het direct geld oplevert. Van zorg, infrastructuur en onderwijs erkennen we de maatschappelijke betekenis en langetermijneffecten. Maar wat een mooi plein, een natuurgebied of een zorgvuldig ontworpen woonwijk oplevert, is veel moeilijker te meten. Dat zit in ontmoeting, veiligheid, gezondheid, trots en de kwaliteit van het dagelijks leven. Dat wat het leven rijk maakt.
Rijkdom is sterk verbonden met individueel bezit. Inkomen, vermogen, eigendom en consumptie vormen vaak de maatstaf voor vooruitgang. Maar hoeveel we zelf moeten bezitten, hangt ook af van wat publiek beschikbaar is. Wie kan rekenen op goed openbaar vervoer, voorzieningen en een rijke openbare ruimte, heeft minder bezit nodig om prettig te kunnen leven. Dat zijn geen extra’s van een rijk land. Dat is wat een rijk land rijk maakt.
Toch zijn er plekken waar nauwelijks nog een bus rijdt en waar voorzieningen verdwijnen. Waar gebouwen met culturele waarde worden gesloopt omdat behoud niet rendabel wordt geacht. De kosten zijn zichtbaar, de waarde veel minder. Het afnemen van die gedeelde kwaliteit ben ik publieke armoede gaan noemen. Omgekeerd noem ik de kwaliteit van alles wat we gezamenlijk opbouwen, onderhouden en doorgeven publieke rijkdom. Afzonderlijke investeringen kunnen publieke waarde opbouwen; publieke rijkdom is het geheel dat daaruit groeit. De kwaliteit van de gedeelde wereld waarin ons dagelijks leven zich afspeelt.
Publieke rijkdom wordt met veel applaus opgebouwd, maar vaak geruisloos afgebroken
Publieke rijkdom maakt ons minder afhankelijk van individueel bezit. Een kleine woning is veel minder problematisch als de straat, het park, de bibliotheek, speelruimte en voorzieningen een verlengstuk van die woning zijn. Een mooi park in de buurt maakt een eigen tuin minder belangrijk. Net zoals goed openbaar vervoer de noodzaak van autobezit vermindert. Hoe groter de publieke rijkdom is, hoe minder de kwaliteit van leven afhangt van individueel bezit. Ruimtelijke ordening bepaalt daarmee mede hoeveel publieke rijkdom mensen in hun dagelijks leven tot hun beschikking hebben.
Er wordt ook gebouwd aan publieke rijkdom. De singel in Utrecht werd teruggebracht en in Groningen ontstond Dudok aan het Diep. Bij bibliotheken verdwenen jarenlang vestigingen, maar nu wordt opnieuw geïnvesteerd. Zulke keuzes laten zien wat er gebeurt wanneer publieke waarde wordt beschermd. Daar tegenover staan de verliezen, zoals de bezuinigingen op ruimtelijke kwaliteit in Utrecht of het sluiten van de bezoekerscentra van Staatsbosbeheer. Publieke rijkdom wordt met veel applaus opgebouwd, maar vaak geruisloos afgebroken. Daarbij verliezen we niet alleen voorzieningen, maar ook het maatschappelijk vermogen de waarde ervan te herkennen en te verdedigen.
Neem de bankencrisis van 2008. De Nederlandse staat stak miljarden in de redding van ABN AMRO. In de jaren daarna werd stevig bezuinigd, onder meer structureel 200 miljoen euro op cultuur. Inmiddels is de redding van ABN AMRO financieel vrijwel terugverdiend. Er kwam later wel weer geld bij voor cultuur, maar wat in de bezuinigingsjaren verdween, kwam niet vanzelf terug. Wat als tijdelijke bezuiniging begint, kan het nieuwe normaal worden en zo bijdragen aan publieke armoede.
Natuurlijk moeten er soms scherpe keuzes gemaakt worden. Maar zolang die keuzes vooral gebaseerd zijn op wat iets kost, vergeten we die andere vraag: wat voegt het toe? Een belangrijk deel van onze publieke rijkdom krijgt vorm in de fysieke leefomgeving. Daarmee is publieke rijkdom ook een vraagstuk van ruimtelijke ordening en ontwerp. Wat proberen we eigenlijk te maken? Een goede woonwijk bestaat uit veel meer dan alleen woningen. Mensen wonen niet in aantallen. Ze wonen in straten, buurten, landschappen en gemeenschappen. Wanneer productie de dominante maatstaf wordt, raakt uit beeld wat voor leefomgeving we willen maken. Een buurt laat zich achteraf maar moeilijk repareren.
Wie publieke rijkdom als ontwerpopgave ziet, kijkt anders naar investeringen. Welke waarde ontstaat hier? Wat draagt deze plek bij aan de buurt, de stad of het landschap? Welke kwaliteit geven we door aan volgende generaties? Ontwerp helpt om verschillende publieke waarden met elkaar te verbinden en maakt zichtbaar wat nog niet in spreadsheets past. Zo wordt ontwerp een manier om publieke rijkdom te vergroten. Publieke rijkdom is niet alleen iets wat we samen bezitten; ze maakt een goed leven minder afhankelijk van wat ieder zelf kan betalen en bezitten.
Over de auteur
Wouter van Riet Paap is werkzaam bij de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit (FRK). Deze bijdrage verscheen eerder op de website van de FRK.
Cover: ‘Achterkant Hoog Catharijne, Utrecht’ (bron: Shutterstock)






